Wonderverhalen


Inhoud
Inhoudelijk kunnen we met H. Zimmermann1 twee groepen wonderverhalen onderscheiden in het Nieuwe Testament.

A) de paradigmatische wonderverhalen waarin het wonder een voorbeeld is bij iets van wat Jezus wil uitleggen. Zo gaat het in Mc 3: 1 – 6 om de vraag waar de sabbat voor bedoeld is. De genezing van de man met de verlamde hand illustreert dat de rustdag gegeven is om goed te doen, een leven te redden, te genezen. Het draait in deze wonderen om belangrijke uitspraken van Jezus.
Een bijzondere vorm van deze wonderverhalen zijn de berichten over Jezus die de discipelen oproept hem te volgen en die dan alles achterlaten en met hem meegaan, bv Mc 1: 16 - 20.

B) de (gewone) wonderverhalen waarin alle nadruk op Jezus als persoon valt: zijn goddelijke status, zijn grote macht, wijsheid en gezag.
Zimmermann onderscheidt hierbinnen zes groepen:

  1. exorcisme = uitdrijving van boze geesten, bv Mc 1: 21 – 28
  2. genezing en herstel, bv Mc 1: 29vv  de koorts van Petrus’ schoonmoeder
  3. epiphanieën = verschijningen van het goddelijke, bv Mc 9: 2 - 10 de verheerlijking op de berg
  4. redding uit gevaar, bv de storm op het meer, Mc 4: 34 – 41
  5. overvloedige schenkingen, bv de wonderbare spijziging Mc 6: 32 - 44, bruiloft in Kana Joh 2, 1 – 11
  6. normerende wonderen draaien om de eisen van het geloof, om de bijbehorende beloning cq bestraffing, bv Luc 13: 10 – 17 genezing op sabbat.

Het laatste voorbeeld maakt duidelijk dat de grenzen vloeiend zijn. Het is zowel een genezingswonder (B2) als een exorcisme s (B1). Ook de normerende woorden van Jezus over wat er wel en niet op sabbat mag, krijgen veel nadruk (B6). De discussie tussen Jezus en zijn tegenstanders maken dat deze verzen ook kenmerken van een andere literaire vorm vertoont: het strijdgesprek. Dit wonderverhaal is ook wel tot de paradigmatische (A) te rekenen.

Waardering
Vanuit onze westerse cultuur zijn we geneigd wonderen op te vatten als iets dat dat niet kan en toch gebeurt. Tegennatuurlijk. Omdat we daar geen vrede mee hebben zoeken we toch een verklaring. We vinden die in

  • het psychische: iemand bezwijkt onder de maatschappelijke druk en vertoont bezeten gedrag; Jezus' aanvaarding van de bezetene brengt hem weer tot zichzelf.
  • het sociale: de wonderbare spijziging: als de eerste begint te delen, gaat iedereen mee doen
  • het godsdienstige: de verlamde kan weer wandelen omdat zijn vergeven zijn

Maar zo doen we daarmee geen recht aan de wonderverhalen. Dit is een te westerse, rationele benadering die voorbij gaat aan de relatie Jezus - wonder. Dat doet Zimmermann wel. Hij zoekt naar datgene wat de wonderverhalen over Jezus willen duidelijk maken. De wonderen bij

  • A stellen Jezus voor als een leraar, een wijze, een tweede Mozes, iemand die met groot gezag leert. Zijn puntige uitspraken zijn belangrijk om te onthouden (aforisme).  
  • B1 schilderen Jezus als degene voor wie satan en zijn demonen moeten vluchten. Hij, bekleedt met de macht van God gaat hen ver te boven.
  • B2 vertellen dat Jezus de arts is van alle lichamelijke kwalen.
  • B3 laten zien dat Jezus en God zeer nauw verbonden zijn. Hij is de Zoon bij uitstek, God zijn Vader in de hemelen. Itt gewone mensen is Jezus volledig afgestemd op God. Hij wil, doet en leert wat zijn Vader wil en bedoelt.
  • B4 leert dat Jezus deelt in de macht van de Schepper. Hij geeft wind en golven zijn bevelen en ze gehoorzamen.
  • B5 maakt het vrijgevige van Jezus duidelijk: hij is gekomen om het leven niet alleen te herstellen (A en B1 - 4) maar het zelfs overvloedig te maken.
  • B6 zie bij A en voorzover van toepassing bij B1 - B5.

Vorm
De opbouw van een wonderverhaal bestaat volgens Zimmermann uit vier onderdelen

  1. de inleiding
  2. bespreking van de nood
  3. het wonder zelf
  4. het slot.

Binnen deze vier onderdelen vindt Zimmermann (p. 155) 33 motieven, al is er geen enkel wonderverhaal dat ze alle 33 heeft. Veel voorkomende motieven: (1) Jezus komt ergens, (3) daar is iemand die hulp nodig heeft, (6) er zijn ook tegenstanders, (11) er is de roep om hulp, (16) soms ook verweer van de boze geest. Er volgen (22) aanraking, (25) gebed en (26) de wonderbaarlijke genezing (doorgaans uitvoerig). Het eindigt met een (29) zwijggebod, (30) bewondering en (33) mededeling dat Jezus steeds bekender wordt..

Vorm en inhoud
Wat zeggen deze vorm en motieven over de inhoud? De wonderverhalen willen vooral laten zien wie Jezus is voor zijn gelovigen. Hij is de levende en opgestane Heer.
Wat er historisch precies gebeurd is, laat zich niet altijd vaststellen of verklaren. In de eerste decennia, toen deze verhalen nog mondeling werden verder verteld, zijn ze gewijzigd bv mooier, indrukwekkender gemaakt. Maar aan de meeste (of alle?) ligt een historische kern ten grondslag. Het is wel zeker dat Jezus wonderen verrichtte.

Meer over wonderen: 
wonderen: verbazingwekkende tekenen
wonderen: feit of fictie?
wonderen: verslag van een leerhuis

-----
H. Zimmermann, Neutestamentliche Methodenlehre, Stuttgart 19827

 

 

terug

Afkortingen


van de Bijbelboeken > Register (kolom 1)

adhv = aan de hand van
Afb = Afbeelding
aw = aangehaald werk
BGT = Bijbel in Gewone Taal
BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT)
bv = bij voorbeeld
CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken
cq = casu quo (bv ik doe kaas cq ham op mijn brood = ik doe kaas op mijn brood of anders ham)
DL = Dordtse Leerregels
dwz = dat wil zeggen
eva = en vele anderen
FB = FaceBook
GNB - Groot Nieuws Bijbel
GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland)
Gr = Grieks
HCat = Heidelbergse Catechismus
Hebr = Hebreeuws
HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek)
HSV = Herziene  Staten Vertaling
HTB = Het Boek
ID = Intelligent Design
itt = in tegenstelling tot
Lat = Latijn
LuV = Lutherse Vertaling
LV14 = Leidse Vertaling 1914
LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC)
M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1)
NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT)
NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004)
NBG = Nederlands Bijbel Genootschap
NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951)
NBV = Nieuwe Bijbel Vertaling (2004)
NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021)
nC = na Christus
NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis
NT = Nieuwe of tweede Testament
ntisch = nieuw testamentisch(e)
OT = Oude of eerste Testament
otisch = oud testamentisch(e)

P = Paulus of zijn brieven
P in het register = Preek (bv Ps 84P = Preek over Psalm 84)
p = pagina of pagina's 

PKN = Protestantse Kerk Nederland
PM = Post Modernisme
Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus
resp = respectievelijk (bv A en B reden in resp een Golf en een Astra = A reed in een Golf, B in een Astra)
RKK = Rooms Katholieke Kerk
SV = Staten Vertaling
SQE = Synopsis Quator Evangeliorum (bv SQE 37 = parallelle passages Mat 8: 14v // Mc 1: 29vv // Luc 4: 38v)
TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim
v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2)
SVBS = Synopsis  Vlaamse Bijbelstichting (bv SVBS 57  = parallelle passages Mat 8: 14v // Mc 1: 29vv // Luc 4: 38v) vC =  voor Christus
vd = van de
vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3)

WV = Willibrord Vertaling
X = Chiasme (kruisstelling)
> = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2)
// = synoniem parallellisme
<> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme

 

 

×