Mc 4: 1 - 20
Inleiding
Het vierde hoofdstuk staat in het teken van gelijkenissen. De laatste verzen (Mc 4: 35 – 41) vertellen van de storm op het meer, die op gezag van Jezus’ woord gaat liggen. Dat past eigenlijk beter bij wat er volgt in Mc 5: nog meer wonderen. We laten het hier dus buiten beschouwing.
Tot nu toe had Mc slechts een paar gelijkenissen verteld,
Nu volgen vier gelijkenissen bij elkaar. Een is bovendien voorzien van uitleg. In dit hoofdstuk komt ook de vraag aan de orde waarom Jezus zich van gelijkenissen bedient (Mc 4: 10 - 12 en 33v)
|
tekst |
gelijkenis van |
uitleg |
theorie |
|
Mc 4: 1 - 9 |
de zaaier |
|
|
|
Mc 4: 10 – 12 |
|
|
waarom gelijkenissen? > gelijkenistheorie |
|
Mc 4: 13 – 20 |
|
van de zaaier |
|
|
de lamp onder de korenmaat |
|
|
|
|
het vanzelf groeiende zaad |
|
|
|
|
het mosterdzaadje |
|
|
|
|
Mc 4: 33 – 34 |
|
|
waarom gelijkenissen? > gelijkenistheorie |
|
|
|
|
|
We bespreken hier de gelijkenis van de zaaier (Mc 4: 1 – 9) en de bijbehorende uitleg (Mc 4: 13 - 20).
Over het waarom van de gelijkenissen volgt een blog onder de titel ‘Gelijkenistheorie’ Daar brengen we alle relevantie teksten van Mc bij elkaar en vergelijken die met Mat en Luc.
Een uitleg van de vier andere gelijkenissen vind je hier
Mc 4: 1v
Weer ging Hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om Hem heen staan. Daarom ging Hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. 2 Hij onderwees hen en sprak hen toe in allerlei gelijkenissen. (NBV21)
Anders dan in Mc 3: 9 heeft Jezus nu de boot echt nodig. Er dringen zoveel belangstellenden om hem heen dat hij hen vanaf het strand niet meer kan toespreken. Hij wil hun zijn onderwijs niet onthouden en spreekt hen vanuit een vissersbootje toe.
Eerder had hij zonder omwegen geleerd, nu gebruikt Jezus gelijkenissen. Dat zijn eenvoudige verhaaltjes met een diepere boodschap. Het gaat dan vooral om het geheel, het gebeuren, de actie in het verhaal en veel minder om geestelijke betekenissen van allerlei elementen in het verhaal zoals dat bij een allegorie het geval is. Een goede vraag om die centrale betekenis op het spoor te komen is: welke titel zou ik aan dit verhaaltje geven?
Het verbindende thema van de gelijkenissen die nu volgen is 'zaad'.
Vanaf het water is Jezus nog steeds op hetzelfde niveau als zijn luisteraars. Bij Mc geen bergrede zoals bij Mat.
Mc 4: 3 - 9
Hij zei: ‘Luister.
Een zaaier ging eropuit om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6 en toen de zon opkwam verschroeide het, en doordat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vruchten voort. 8 Maar er was ook zaad dat in goede grond viel en wel vruchten voortbracht: het schoot op en groeide en droeg vrucht, dertig-, zestig- en honderdvoudig.’
En Hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ (NBV21)
Jezus vraagt aandacht voor wat hij zal zeggen. Luister! daar komt hij straks in Mc 4:9 op terug.
De gelijkenis die nu volgt is minder eenvoudig dan op het eerste gezicht lijkt. Het begint met een zaaier (Gr ho speiroon) alsof dat een beroep is1.
En dan doet deze zaaier ook nog eens heel merkwaardig: hij gaat buitengewoon verkwistend en slordig te werk: drie kwart van het zaad komt niet goed terecht en levert niets op:
- op de weg, waar de vogels het opeten
- op rotsachtige grond, te ondiep om wortels te ontwikkelen
- tussen de distels waar het verstikt
Slechts een kwart valt in goede grond, schiet op en draagt vrucht: 30, 60 en 100 voudig. Wie wel eens gras heeft gezaaid, of kunstmestkorrels gestrooid, weet dat het betrekkelijk eenvoudig is, om het op de goede plek neer te laten komen. Maw: deze zaaier strooit expres zo verkwistend in het rond. Of moeten we zeggen: zo royaal? Want het is een gelijkenis en voor wie of wat staat dit tafereeltje? Zou het God kunnen zijn, die in Jezus (het zaad) alle mensen (ongeacht hun bodem / geschiktheid) wil bereiken met het evangelie? Op zoiets wijst vers 14 waar Jezus zegt dat het zaad = het woord (evangelie).
De getallen 30, 60 en 100 hebben geen speciale symbolische betekenis en de combinatie ook niet. We vinden die nergens buiten deze gelijkenis.
Hier geven ze alleen maar aan dat de opbrenst van zaad dat in goede aarde valt verrassend groot, groter, grootst is.
Waarom drie getallen? Omdat er ook drie bodems zijn waar waarop het zaad niet tot vruchtdragen komt.
Onverantwoord doet deze zaaier niet. Want de opbrengst van het zaad dat in goede aarde valt, is veel groter (3.000%, 6.000%,10.000%) dan het verlies (3/4 oftewel 75%) dat hij lijdt met het zaad waarvan niks terecht komt2.
Wie oren heeft om te horen...dat zijn alle luisteraars die daar bij Jezus zijn samengekomen. Zij moeten goed luisteren dwz deze gelijkenis horen en zich afvragen: over wie of wat gaat deze gelijkenis? Een goede titel om boven deze gelijkenis te zetten vind ik de gelijkenis van de royale zaaier. Zo uitgelegd is dit verhaaltje een echte gelijkenis (een centrale gedachte) en niet zo zeer een allegorie (vele elementen met geestelijke betekenissen).
De leerlingen vragen zich af waarom Jezus gelijkenissen vertelt (Mc 4: 10 – 12 > waarom gelijkenissen?) en vragen zich af wat deze gelijkenis betekent.
Mc 4: 13
Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen? (NBV21)
Jezus lijkt verbaast en teleurgesteld (of bezorgd?) dat zijn discipelen de betekenis van de gelijkenis ontgaat. Aan hen was toch het geheim van het Koninkrijk van God onthuld? (Mc 4: 10 - 12). Zij zouden toch niet als de buitenstaanders moeite moeten hebben met de gelijkenissen? Dan volgt de uitleg:
Mc 4: 14
De zaaier zaait het woord. (NBV21)
Het zaad (Mc 4: 3v) dat de zaaier zaait blijkt het woord te zijn. Daarmee is het evangelie bedoeld: het goede nieuws over het Koninkrijk van God dat nabij gekomen is en doorbreekt waar Jezus mensen geneest, bevrijdt, vergeeft. Dat past nog bij de uitleg van de gelijkenis als gelijkenis (hierboven). Maar vanaf hier volgt een uitleg van de gelijkenis als allegorie. Nu verschuift de betekenis van de zaaier en het zaaien van zaad naar het zaad en de bodem, anders gezegd naar het woord en de hoorder. Weer komen de vier groepen voorbij, in dezelfde volgorde:
Mc 4: 15
Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt: het woord wordt wel gezaaid, maar wanneer ze het gehoord hebben, komt meteen Satan om het woord weg te graaien dat in hen gezaaid is. (NBV21)
Het 'zaad dat op de weg valt waar de vogels het opeten', krijgt nu de betekenis van mensen die het woord wel horen, maar het gaat bij hen het ene oor in en het andere uit. Ze schenken er niet de aandacht aan die het verdient. Het komt wel bij hen binnen (het is in hen gezaaid), maar ze geven het de kans niet om wortel te schieten enz. Daar zit de Satan achter, de tegenspeler van God. Hij neemt het woord weg zoals vogels het zaad van de weg pikken. Deze mensen lijken geen schijn van kans te hebben als Satan hen het evangeliewoord wil ontnemen. Maar: ze laten het natuurlijk ook gebeuren en dragen dus wel een zekere verantwoordelijkheid. Ze hebben het woord wel gehoord.
Mc 4: 16v
Anderen zijn als het zaad dat op rotsachtige grond is gezaaid: wanneer zij het woord gehoord hebben, nemen ze het meteen met vreugde aan. 17 Maar doordat het geen wortel schiet in hen, is dat van korte duur. Worden ze vanwege het woord verdrukt of vervolgd, dan komen ze meteen ten val. (NBV21)
Het 'zaad dat op rotsachtige grond viel en geen bodem vond om wortels te ontwikkelen' krijgt nu de betekenis van mensen die enthousiast op het evangelie reageren. Maar op het moment dat het ook wat van hen vraagt en het zeer doet om trouw aan het geloof te blijven, geven ze het op. Mc noemt verdrukking en vervolging vanwege het woord; dus niet zomaar lijden (door bv ziekte) of lijden door overtredingen (straf) enz
Mc 4: 18v
Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels is gezaaid: ze hebben het woord wel gehoord, 19 maar de zorgen om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom en hun verlangens naar allerlei andere dingen komen ertussen en verstikken het woord, zodat het zonder vrucht blijft. (NBV21)
Het 'zaad dat tussen de distels terecht komt en verstikt' krijgt nu de betekenis van mensen die het te druk hebben met andere dingen. Ze stellen verkeerde prioriteiten.
- Ze maken zich zorgen om het bestaan (armoede, honger, gebrek, ziekte)
of het tegenovergestelde: - Ze verlangen naar andere dingen (luxe, rijkdom, gemakzucht)
Het is niet zo dat het evangelie de concurrentie met zorgen en verleidingen niet aankan; het is een kwestie van keuzes maken. Wat weegt voor jou het zwaarste, wat is het belangrijkste in je leven, wat heb je er voor over?
Mc 4: 20
Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertig-, anderen zestig- en weer anderen honderdvoudig.’ (NBV21)
Het 'zaad dat in goede aarde valt, opschiet en vrucht draagt' krijgt nu de betekenis van mensen die het woord (evangelie) horen en aanvaarden. Dat zijn zij die het woord tot zich door laten dringen, het omarmen, zich eigen maken. Die het van harte beamen en ernaar leven. Dat is wat ze moeten doen (actief). En dan gebeurt (passief) het wonder: dan levert het zaad vruchten op: 30, 60 en 100 voudig.
Dit betekent dat er verschil in gelovigen is: sommigen dragen meer vrucht dan anderen.
- In de praktijk komt de een verder in heiliging van het leven dan een ander,
- of draagt meer bij in hulpbetoon dan een ander,
- of betekent meer voor de verspreiding van het evangelie dan een ander etc.
De reeks 30, 60 en 100-voudig is niet bedoeld om te onderscheiden tussen belangrijke en minder belangrijke gelovigen. Je kunt de omvang van het vruchtdragen onmogelijk bij anderen of bij jezelf vast stellen. Het gaat niet om rivaliteit. Evenmin wil de gelijkenis zeggen dat je ontevreden moet zijn met je 30-voudig vruchtdragen en dat je moet vooral streven naar 100-voudig. Daarmee schiet je in een tobberige kramp die funest is voor je geloof. Leef eenvoudig als christen, doe gewoon je best. En laat het aan God over of het vruchtdragen in Zijn ogen op 30, 60 of 100 voudig uitkomt.
Enkele conclusies
Dat er van zoveel zaad niets terecht komt, ligt niet aan het zaad, maar aan de bodem, het hart van de mensen.
De gelijkenis als gelijkenis uitleggen levert een theologische betekenis op ( Mc 4: 1 - 9 + 14).
Het zaad is dan het woord van God, het evangelie, Jezus
De gelijkenis als allegorie opvatten leidt tot een moralistische interpretatie (Mc 4: 15 - 19).
Het zaad is nu een beeld voor de mensen die het woord van God horen en daar op uiteenlopende wijze op reageren.
Mat 13: 1 - 9 + 18 - 23, Mc, Luc 8: 4 - 8 + 11 -15 Joh -
SQE 122, 124 - SVBS 125, 126, 129
Mat volgt bijna woordelijk Mc.
- laat Mc 4: 7 weg 'en het gaf geef vrucht' want overbodig
- Mc heeft een opklimmende reeks 30, 60 en 100 voudig, Mat een dalende 100, 60, 30 voudig - zowel in Mat 13: 8 als in 13: 20.
- Het zaad is het woord (Mc 4: 15) > bij Mat 'het woord van het koninkrijk'
- Mat vervangt Satan (Mc 4: 19) door de Boze
- In de uitleg van de gelijkenis maakt Mat enkelvoud van het sommigen / anderen bij Mc
- Het woord dat in hen gezaaid is ( Mc 4: 15) wordt bij Mat het woord dat in zijn hart gezaaid is.
- Laat weg 'de verlangens naar allerlei andere dingen (Mc 4: 19), want overbodig
Luc volgt Mc, maar laat allerlei details weg
- vooral uit Mc 4: 5v. (weinig aarde, de verzengende zon)
- Luc heeft geen reeks 30, 60 en 100, maar enkel 100 voudig in 8: 8. En in 8: 15 laat Luc ook het getal 100 weg en schrijft 'vrucht dragen in volharding'. Dat is waar het volgens hem op aan komt.
- Het zaad is bij Luc 'het woord van God' (Luc 8: 11)
- Luc vervangt Satan (Mc 4: 19) door de duivel.
- Luc werkt zijn versie zo uit, dat het om stadia van het geloof gaat: het woord wordt gezaaid in het hart, maar de duivel kan het dan direct al wegnemen zodat ze niet geloven en gered worden (Luc 8: 12). Het woord kan ook in vreugde ontvangen worden, maar bij een beproeving vallen ze vrijwil onmiddellijk af. Het kan ook gaandeweg door zorgen, rijkdom en genietingen gebeuren dat het niet voldragen wordt. Deze drie mogelijkheden keren terug in de beschrijving van degenen bij het woord in goede aarde valt: Dezen zijn het die in een edel en goed hart het woord hoorden (1), het vasthouden (2) en vrucht dragen in volharding (3).
Gespreksvragen:
* Staat het vissersbootje in Mc 4: 1 ook symbool voor de kerk?
* Het zaad dat op de weg valt: is dat herkenbaar?
* Het zaad dat op rotsachtige grond valt: gaat dat over jou?
* Het zaad dat tussen de distels valt: is dat ook wel eens met jou zo?
* Het zaad dat in goede aarde valt: wanneer ben je dat?
-----
1 Het is net zo'n merkwaardig 'beroep' als 'de doper' (Mc 6: 14 - Gr ho baptizoon)
2 Er staat weliswaar niet dat het zaad evenredig over de vier bodems verspreid wordt, maar het lijkt niet onverantwoord om dat aan te nemen.
Afkortingen
van de Bijbelboeken > Register (kolom 1) adhv = aan de hand van Afb = Afbeelding aw = aangehaald werk BGT = Bijbel in Gewone Taal BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT) bv = bij voorbeeld CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken cq = casu quo (dan wel) brood of anders ham) DL = Dordtse Leerregels dwz = dat wil zeggen eva = en vele anderen FB = FaceBook GNB - Groot Nieuws Bijbel GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland) Gr = Grieks HCat = Heidelbergse Catechismus Hebr = Hebreeuws HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek) HSV = Herziene Staten Vertaling HTB = Het Boek ID = Intelligent Design itt = in tegenstelling tot Lat = Latijn LuV = Lutherse Vertaling LV14 = Leidse Vertaling 1914 LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC) M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1) NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT) NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004) NBG = Nederlands Bijbel Genootschap NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951) NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021) nC = na Christus NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis NT = Nieuwe of tweede Testament ntisch = nieuw testamentisch(e) OT = Oude of eerste Testament otisch = oud testamentisch(e) P = Paulus of zijn brieven P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84 p = pagina of pagina's PKN = Protestantse Kerk Nederland PM = Post Modernisme Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus resp = respectievelijk RKK = Rooms Katholieke Kerk SV = Staten Vertaling SQE = Synopsis Quator Evangeliorum SVBS = Synopsis Vlaamse Bijbelstichting TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2) vC = voor Christus vd = van de vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3) WV = Willibrord Vertaling tekens: > = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2) // = synoniem parallellisme <> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme X = Chiasme (kruisstelling) ( -- ) bevat verduidelijking { -- } bevat woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar afgeleid uit wat er wel staat. |