Identificatie


Verhalen
In een verhaal draait het om een of meer gebeurtenissen en zijn er personages die daarbij een rol spelen. Dat is een groot verschil met handboeken, scripties, betogen, filosofische teksten, testamenten, wetten en regels, dissertaties enz. Kenmerken van deze formele teksten zijn hun abstracte inhoud. Formele taal1 is algemeen en doet voornamelijk een beroep op je verstandelijke vermogens. Verbeelding en gevoel worden zoveel mogelijk uitgesloten.
Verhalende teksten daarentegen zijn concreet. Het gaat niet om alle mogelijke gebeurtenissen maar om één bijzondere: een bepaalde situatie verandert. Het gaat niet om alle mensen maar om een zekere man of vrouw, met een leeftijd, een beroep, misschien een partner, vrienden en/of vijanden, een verleden enz. Het gaat om - weliswaar fictieve - unieke gebeurtenissen en personages.

Natuurlijk moet je je verstand gebruiken bij het lezen van een verhaal. Als je de taal niet voldoende beheerst, niet aandachtig leest en vergeet wat je gelezen hebt, komt een verhaal niet over. Maar anders dan formele taal doen verhalen vooral een beroep op je
  • verbeelding: Als je leest over vader in z'n blauwe overal, een pijpje rokend in z'n krakende schommelstoel bij de kolenkachel, zie en hoor en ruik je hem ahw in je gedachten.
  • gevoel: 
    • Je vindt de hoofdpersoon sympathiek of juist niet.
    • Je leeft met de personages mee (empathie) of niet.
    • Je herkent veel of weinig van de hoofdpersonen bij jezelf.
    • De gebeurtenissen maken dat je spanning, blijdschap, opluchting, verontwaardiging, teleurstelling enz voelt.
  • Zo kun je je al lezend vereenzelvigen met de hoofdpersoon van het verhaal of een ander personage (identificatie).
Een goed verhaal neemt je mee, je gaat er helemaal in op en vergeet de wereld om je heen (narratieve transportatie).

Of deze effecten allemaal optreden hangt niet alleen af van de kwaliteit van het verhaal, maar ook van de lezer: laat hij zich meenemen in het verhaal? Is hij in staat zich te verplaatsen in een ander? Wil en kan hij de gevoelens opmerken die de personages in hem oproepen? 
Als dat zo is, dan raken een goed verhaal en een aandachtige lezer ahw in gesprek met elkaar. Het boek beïnvloedt de lezer.

Bijbelse verhalen
De Bijbel bevat formele taal (wetsteksten, geslachtsregisters, brieven) poëzie (Psalmen, Job, profeten) en proza. De Bijbelse verhalen verschillen behoorlijk van moderne literatuur.
  • ze zijn doorgaans kort: een gelijkenis is maar een paar regels. De torenbouw van Babel (Gen 11) een halve bladzijde, uitvoeriger zijn Jona (2 blzn) en Ruth (4 blzn), Esther (8 blzn), Daniël (14 blzn), de Jozef-verhalen (Gen 37 - 50; 13 blzn), de reizen van Paulus (ongeveer de helft van Hnd: 15 blzn).
    een verhalencyclus vormen: 
    • Gen t/m 2 Kon (muv Ruth) = de zgn Deuteronomistische geschiedenis  (bevat ook veel formele taal en poëzie)
    • 1 en 2 Kron + Ezra en Neh  = de zgn Kronistische geschiedenis
  • ze zijn niet in de ik-persoon geschreven; het perspectief is dat van de alwetende verteller.
  • de personages zijn op hoofdlijnen geschetst, het zijn types: Abraham de zoeker, Mozes eerst de driftkoppige prins, later de dappere bevrijder, Saul de koning die in ongenade valt. David de koning naar Gods hart. Jona de profeet tegen wil en dank. Ruth de voorbeeldige schoondochter. Esther het moedige meisje, Daniël de vrome held. Petrus de enthousiaste discipel.
  • er is weinig aandacht voor karakterontwikkeling2 of voor de gedachtestroom van de personages. Reflectie op gevoelens vinden we wel veel meer in de poëzie: bv Job en Jeremia
We kunnen het betreuren dat de personages zo summier beschreven zijn. Dat maakt het niet gemakkelijk om je als lezer mee te identificeren. Maar zo zijn de verhalen nu eenmaal opgeschreven. Het is best mogelijk dat ze in een eerdere fase - het stadium van de mondelinge overlevering - uitgebreider werden verteld. Aan de andere kant geeft dit beknopte de lezer, verteller, predikant ruimte om zelf veel in te vullen.

Jezus
De hoofdpersoon van de vier evangeliën - Jezus - is al helemaal niet iemand om je als lezer mee te identificeren. Daarvoor is hij te groots: vol liefde en genade, ook streng, wijs, machtig, onfeilbaar, moedig. We zeggen wel eens dat Jezus ons voorbeeld is, maar dat is bij nader inzien toch een rare uitspraak want:
  • wij doen geen wonderen,
  • leggen niet met groot gezag de wet van God (maar Ik zeg u...Bergrede) 
  • vergeven niet de zonden van mensen die ons niets misdaan hebben (Jezus wel, bv de zondares Joh 8),
  • zijn niet zo intiem met God verbonden als Jezus,
  • zoeken niet de confrontatie met de machthebbers zoals hij,
  • en laten ons niet arresteren, veroordelen en doden voor iets dat wij niet gedaan hebben.
In al die dingen gaat Jezus ver boven ons uit. Hij is onnavolgbaar. Met Jezus ons voorbeeld bedoelen we waarschijnlijk dat Jezus ons inspireert tot omzien naar elkaar en vertrouwen op God. Dat is prima en mooi - zonder navolging kun je niet echt geloven -  maar dat is slechts de ene helft van het evangelie. De andere helft zegt dat God ons door Jezus zijn liefde verklaart en ons voor zich inneemt. Jezus is meer dan een voorbeeld.

De lezer herkent zich eerder in Petrus of een van de andere discipelen en in de mensen die naar Jezus komen in de hoop bij hem genezing en vergeving te vinden. > Sleutelverhaal


-----
1 Ook wel academisch taalgebruik of of zakelijk-objectief taalgebruik genoemd.
2 Ook wel 'monologue interieure', of 'stream of consciousness' genoemd. Die kwam overigens pas op eind 19-de eeuw.









 
terug

Afkortingen


van de Bijbelboeken > Register (kolom 1)

adhv = aan de hand van
Afb = Afbeelding
art - artikel (van de NGB)
aw = aangehaald werk
BGT = Bijbel in Gewone Taal
BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT)
bv = bij voorbeeld
CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken
cq = casu quo (dan wel / of anders)
DL = Dordtse Leerregels
dwz = dat wil zeggen
eva = en vele anderen
FB = FaceBook
GNB - Groot Nieuws Bijbel
GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland)
Gr = Grieks
HCat = Heidelbergse Catechismus
Hebr = Hebreeuws
HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek)
HSV = Herziene  Staten Vertaling
HTB = Het Boek
ID = Intelligent Design
itt = in tegenstelling tot
Lat = Latijn
LuV = Lutherse Vertaling
LV14 = Leidse Vertaling 1914
LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC)
M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1)
McM = The MacMillan Bible Atlas, London 19804
MvG = Meer van Galilea = Meer van Tiberias = Meer van Genesaret
NA = Nestle-Aland, 28-ste druk (Grieks NT)
NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004)
NBG = Nederlands Bijbel Genootschap
NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951)
NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021)
nC = na Christus
NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis
NT = Nieuwe of tweede Testament
ntisch = nieuw testamentisch(e)
OT = Oude of eerste Testament
otisch = oud testamentisch(e)

P = Paulus of zijn brieven
P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84
p = pagina of pagina's 

PKN = Protestantse Kerk Nederland
PM = Post Modernisme
Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus
resp = respectievelijk (achtereenvolgens)
RKK = Rooms Katholieke Kerk
SV = Staten Vertaling
SQE = Synopsis Quator Evangeliorum
SVBS = Synopsis  Vlaamse Bijbelstichting 
TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim
v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2)
v/a = vraag en antwoord
vC =  voor Christus
vd = van de
vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3)

WV12 = Willibrord Vertaling 2012
Z = zondag (vd HCat)
zgn = zogenaamd

tekens:
> = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2)
// = synoniem parallellisme
<> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme
X = Chiasme (kruisstelling)
(     ) bevatten verduidelijking

{    } bevatten woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar  afgeleid uit wat er wel staat.
 

 

×