Mc 2: 18 - 22


Mc 2: 18
De leerlingen van Johannes en de farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. En ze gingen naar Jezus toe en vroegen Hem: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’  (NBV21 gewijzigd)

Je zou verwachten dat de leerlingen van Johannes en de Farizeeën vragen 'waarom vasten wij... ipv waarom vasten de leerlingen van Johannes en van de Farizeeën. De NBV vertaalt deze merkwaardigheid weg door 'mensen' in te vullen, maar dat staat er niet in het Grieks.

Het Griekse woord voor vasten (nèsteuoo), gaat terug op een combinatie van niet + eten. Iemand die vast onthoudt zich een tijdlang van eten en drinken en krijgt op den duur honger en dorst. Daarom is vasten of onthouding altijd aan een bepaalde tijdsduur gebonden, bv alleen overdag zoals op de grote Verzoendag (Lev 16: 29a). Soms langer, tot zelfs drie dagen toen het voor Esther er op er onder was (Est 4: 16). In de tijd van Jezus vonden veel oprecht gelovigen, zoals de Farizeeën en leerlingen van Johannes dat ze twee dagen per week moesten vasten.
De religieuze waarde ligt niet in bijgeloof (boze geesten afweren), maar in het je klein maken voor God (verootmoedigen) en je biddend op Hem richten. Het kon natuurlijk ook, net als elke ander ritueel, misbruikt worden:
  • je vasten opvatten als een prestatie die om een beloning vraagt,
  • of om je sociale plichten te ontlopen
    Daar hadden de profeten regelmatig kritiek op (Jes 58: 3 – 7).
  • of om in de ogen van mensen een vrome indruk maken,
  • of het gedachteloos verrichten.
Dat Jezus en zijn discipelen niet vasten, roept - gezien het belang dat velen hechtten aan vasten - vragen op. In zijn antwoord wijst Jezus het vasten af.

Mc 2: 19v
Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. 20 Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten. (NBV21)

Het opvallende van Jezus’ antwoord is, dat het volkomen nieuw is. De profeten van het OT hadden nooit dit bezwaar naar voren gebracht. Dat konden ze ook niet, want het is strikt aan Jezus gebonden. Door zijn komst is vasten onmogelijk geworden: hij is de verhoopte Redder, de Messias die het Koninkrijk van God doet aanbreken. Hij brengt het heil in woord (vergeving) en daad (genezingswonderen) en straks door het offer van zijn leven. Waarom nog bidden als je gebed verhoord is? Waarom nog vasten als Gods nieuwe wereld gekomen is? Het evangelie is goed nieuws, het is tijd om blij te zijn en feest te vieren. Heel treffend legt Jezus dit uit met het beeld van een bruiloftsfeest. Dan moet er gegeten en gedronken worden (Joh 2: 1 – 11). Het is gewoon niet mogelijk om niet vrolijk te zijn. Maar als de bruidegom vertrokken is, is het feest voorbij.
Zo vergelijkt Jezus zichzelf met de bruidegom. Zolang hij er is, is vasten iets wat niet kan of gepast is.
Dat het om Jezus gaat blijkt ook uit het weggehaald of weggenomen worden. Dat gebeurt niet met een gewone bruidegom, die vertrekt op het eind van het feest. Maar met Jezus wel: hij eindigt aan een kruis, in de dood en zijn graf blijkt leeg te zijn (Mc 16: 1 – 8). Als die tijd gekomen is, zijn bidden en vasten weer op hun plaats.1

In nog twee andere beelden maakt Jezus duidelijk dat het om een verschil in tijd gaat. Er is de tijd van vroeger, dat Hij er niet was <> de tijd dat Hij er wel is, de nieuwe tijd. Wat in de ene tijd goed is, is het in een andere tijd niet.
De uitspraken die nu volgen waren destijds misschien bekende gezegdes, volkswijsheid.

Mc 2: 21
Niemand naait een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk, anders scheurt de ingezette lap er iets af – het nieuwe van het oude – en de scheur wordt erger.  (NBG51)

Het eerste beeld is dat van een oud kledingstuk met een scheur (Gr schisma). Die kun je wel dichten, als je dan maar een lap stof gebruikt die al gekrompen is. Zet je er een nieuwe lap op die nog moet krimpen, dan trekt dat nieuwe deel het oude stuk als het krimpen gaat.
De keerzijde is dat je een niet-gekrompen lap naait op een jong kledingstuk waar om wat voor reden dan ook al een scheur in is gekomen.

Een allegorische duiding is de volgende2
  • De kledinghersteller is God, die een reparatie uitvoert (mensen redt)
  • Jezus representeert het nieuwe. Hij is Bruidegom (2: 18), de nieuwe wijn (2: 22). Dan zal hij in deze spreuk staan voor de nieuwe lap, bestemd voor een nieuw kledingstuk.
  • Dat nieuwe kledingstuk: de mensen die open staan voor Jezus en zich door hem laten repareren (redden).

Mc 2: 22
Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken.’ (NBV21)

Het tweede beeld is dat van zakken om wijn in te bewaren3. Die werden van geitenleer gemaakt. In de loop van de tijd wordt het leer echter stug en er ontstaan krimpscheurtjes. Oude wijn, die niet meer gist, kan daar wel in bewaard worden. Maar jonge wijn is een ander verhaal. Nadat de druiven zijn geperst moet het sap eerst gisten in een kruik. Dat duurt een halve week. Als het sap niet meer borrelt, moet de jonge wijn nog minstens een paar maanden, liefst langer rijpen (fermenteren). Dat gebeurt in een andere kruik, maar ook wel in een zak. In die tijd vinden er allerlei chemische processen plaats waartegen een oud geitenvel niet goed bestand is: die gaat scheuren en dan ben je alles kwijt: de wijn en de zak. Een jonge zak is elastischer.

Ook hiervan is een allegorische interpretatie4 mogelijk:
  • de oude wijn is het oude verbond met de bijbehorende wet en al naar gelang wat je ervan terecht brengt straf of beloning, vloek of zegen.
  • de nieuwe wijn staat voor Jezus en zijn boodschap van het koninkrijk dat komt.
  • de oude zakken zijn een beeld voor de mensen die zo vergroeid waren met het oude dat zij Jezus’ boodschap niet konden accepteren.
  • de nieuwe zakken symboliseren de mensen die nog veranderen kunnen omdat ze enerzijds lenig van geest zijn, anderzijds de armoede van hun situatie beseffen. Zij laten zich blij verrassen door Jezus.
Door zulke allegorische interpretaties is het mogelijk de uitspraken van Jezus over zichzelf en over het nieuwe tijdvak dat met hem begonnen is, te betrekken op jezelf als gelovige, bijv zo:
Het goede nieuws van Jezus en de verzoening (reparatie) gaat veel verder dan het oplappen van het oude (kleed) of het aanvullen van het nieuwe (wijn). Er is door God en Jezus een heel nieuwe situatie ontstaan, een nieuwe tijd aangebroken. Dat vraagt om een keus, want alleen als je breekt met het oude, kun je in dat nieuwe tijdperk leven.

Nu nog vasten?
Wat is de reikwijdte van Jezus’ antwoord? Is vasten een achterhaalde gewoonte? Zo is dat in de kerk wel uitgelegd en bv in de PKN is dat de gangbare opvatting. Het lijkt er sterk op, dat dat al van van meetaf aan de opvatting is geweest: in zijn brieven roept Paulus nl nergens op tot vasten, zelfs niet in die passages waarin hij het over eten en drinken heeft (Rom 14, Kol 2). In wat hij wel of niet eet en drinkt is de gelovige vrij, een christen moet zich daarin niet de wet laten voorschrijven.
Toch vinden we in het NT belangrijke passages waaruit het belang van vasten blijkt:
- Aan het begin van zijn openbare optreden vast Jezus 40 dagen en nachten (Mat 4: 2, Luc 4: 1v)
- Mat 6: 16 – 18 is Jezus kritisch tav het vasten uit verkeerde motieven, niet over het vasten op zich.
- Mc 2: 19 laat wel degelijk ruimte voor vasten
- Hnd 13: 3 en 14: 23 vertellen dat bidden versterkt wordt door te vasten.


Mat 9: 14 - 17; Mc; Luc 5: 33 - 39; (Joh 3: 29v)
SQE 45 - SVBS 70
Slechts kleine verschillen:
Mat lost het merkwaardige van de vraag in Mc 2: 18 op door van ‘wij’ te spreken.
Luc vult het vasten van de leerlingen van Johannes en de Farizeeën aan met het doen van smeekbeden. Na de woorden over de bruidegom voegt Luc 5: 36a in en zegt dat het vervolg over de nieuwe lap en de nieuwe wijn een gelijkenis is. Luc vat dit gedeelte samen in 5: 39 met de opmerking dat de oude wijn beter smaakt. Een opmerking die uit de toon valt, want de bruidegom, de nieuwe lap en de nieuwe wijn suggereren dat het nieuwe juist beter is dan het oude.
Mc heeft in 2: 19b een antwoord op de retorische vraag van 19a. Mat en Luc vonden het niet nodig dat over te nemen.


Gespreksvragen:
* Heb je wel eens periode gevast? Wanneer? Waarom? Wat deed het met je?
* Misschien beleef je de tijd waarin je nu leeft als wezenlijk anders (feest, gerepareerd, bruisend als wijn) dan vroeger toen je nog niet bewust geloofde? Waarin zit voor jou het verschil?
* Misschien ervaar je de tijd waarin je nu leeft als niet zo heel wezenlijk anders (de Bruidegom is er immers niet).
* Beleef je het heilig avondmaal als een maaltijd van brood en wijn in aanwezigheid van de Heer of als een vasten (een klein beetje eten) in afwezigheid van de Heer?


----
1 Ligt hier een link met de viering van het heilig avondmaal in de kerk? Dan gedenkt de gemeente de dood van de Heer en verlangt naar zijn komst. Maar ondertussen is Hij er niet. De gemeente gebruikt een kleine maaltijd van brood en wijn als was het een vasten.
2 Minder geslaagd: Het oude kledingstuk, is het volk Israël dat van Abraham, Isaäc en Jakob bij God hoort. Om dat te repareren is een oude, reeds gekrompen lap nodig: Jezus. Deze interpretatie is toch wel denkbaar, nl als we aannemen dat Gods reddingsplan (Jezus, de Zoon) al zo oud is als de wereld  (Ef 3: 11, 1 Kor 2: 6-10).
3 De tekst leidde tot twee uitdrukkingen in onze taal
  1. oude wijn in nieuwe zakken' betekent dat de vorm nieuw is, maar dat dit weinig zegt, want de inhoud is nog steeds hetzelfde.
  2. ‘Je moet geen nieuwe wijn in oude zakken doen’ betekent: een nieuwe inhoud vereist ook een nieuwe vorm.
4 Een allegorische duiding is niet zo zeer een exegese van wat er letterlijk staat, maar een toepassing. Door onderdelen van de tekst (een beetje gezocht) te verbinden met belangrijke elementen van het geloof ontdek je soms verrassende dingen en word je gesterkt in je geloof.










 
terug

Afkortingen


van de Bijbelboeken > Register (kolom 1)

adhv = aan de hand van
Afb = Afbeelding
aw = aangehaald werk
BGT = Bijbel in Gewone Taal
BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT)
bv = bij voorbeeld
CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken
cq = casu quo (bv ik doe kaas cq ham op mijn brood = ik doe kaas op mijn brood of anders ham)
DL = Dordtse Leerregels
dwz = dat wil zeggen
eva = en vele anderen
FB = FaceBook
GNB - Groot Nieuws Bijbel
GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland)
Gr = Grieks
HCat = Heidelbergse Catechismus
Hebr = Hebreeuws
HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek)
HSV = Herziene  Staten Vertaling
HTB = Het Boek
ID = Intelligent Design
itt = in tegenstelling tot
Lat = Latijn
LuV = Lutherse Vertaling
LV14 = Leidse Vertaling 1914
LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC)
M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1)
NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT)
NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004)
NBG = Nederlands Bijbel Genootschap
NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951)
NBV = Nieuwe Bijbel Vertaling (2004)
NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021)
nC = na Christus
NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis
NT = Nieuwe of tweede Testament
ntisch = nieuw testamentisch(e)
OT = Oude of eerste Testament
otisch = oud testamentisch(e)

P = Paulus of zijn brieven
P in het register = Preek (bv Ps 84P = Preek over Psalm 84)
p = pagina of pagina's 

PKN = Protestantse Kerk Nederland
PM = Post Modernisme
Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus
resp = respectievelijk (bv A en B reden in resp een Golf en een Astra = A reed in een Golf, B in een Astra)
RKK = Rooms Katholieke Kerk
SV = Staten Vertaling
SQE = Synopsis Quator Evangeliorum (bv SQE 37 = parallelle passages Mat 8: 14v // Mc 1: 29vv // Luc 4: 38v)
TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim
v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2)
SVBS = Synopsis  Vlaamse Bijbelstichting (bv SVBS 57  = parallelle passages Mat 8: 14v // Mc 1: 29vv // Luc 4: 38v) vC =  voor Christus
vd = van de
vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3)

WV = Willibrord Vertaling
X = Chiasme (kruisstelling)
> = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2)
// = synoniem parallellisme
<> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme

 

 

×