Liberalisme
Het begin
In deze politiek-maatschappelijke stroming draait het om vrijheid. Vandaar de naam Liberalisme, afgeleid van het Latijnse Libertas = vrijheid. Als vader van het Liberalisme geldt de Britse filosoof John Locke (1632 – 1704) die met zijn geschriften over de overheid (1689) en tolerantie (vanaf 1689) velen inspireerde, onder wie de mensen achter de de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) en de Franse Revolutie (1789).
Locke stelde dat er geen door God ingestelde overheid was. Hij keerde zich tegen het absolutisme van koningen en keizers. Volgens hem was het de taak van de overheid om de rechten van burgers op leven, vrijheid en bezit te beschermen. Als een overheid dat niet doet, mogen de geregeerden in opstand komen om een nieuw bestuur aan de macht te helpen, dat wel hun instemming heeft.
Als (1848) in Nederland een nieuwe grondwet van kracht wordt, opgesteld door de liberaal Thorbecke, geeft ook bij ons het Liberalisme de toon aan. De ideeën ‘grondrechten voor iedereen’ en ‘parlementair stelsel’ zijn – na aanpassingen van de grondwet (1917, 1983) - nog steeds geldig. VVD en D66 gelden als liberale partijen.
Klassiek Liberalisme
Het klassieke Liberalisme van de 19-de eeuw hield het erop dat de markt zichzelf regelt. Door vrijhandel (Laissez Faire) zouden er als vanzelf de juiste producten van de juiste kwaliteit gemaakt en voor de juiste prijs aangeboden worden. De arbeiders zouden vanzelf het juiste loon krijgen, en als ze dat te weinig vonden, waren ze vrij om elders een betere baan te zoeken. De overheid moest dat overlaten aan ‘de onzichtbare hand’ van de markt (Adam Smith, 1723 - 1790).
De werkelijkheid hield zich niet aan deze ideeën. De industriële revolutie leidde tot kinderarbeid, ongezonde en gevaarlijke werkomstandigheden, slechte woningen voor arbeiders. Als later de beurs (1929) instort, ontstaat er een recessie. Deze gebeurtenissen maken duidelijk, dat sturing van de overheid toch gewenst is.
Modern Liberalisme of Sociaalliberalisme
J.M. Keynes (1883 - 1946) ontwikkelt dan de theorie dat de overheid in de economie moet investeren (bv infrastructuur) om zo werkloosheid te bestrijden en uit de crisis te komen. Dit modern-liberale inzicht zou in de jaren na de tweede wereldoorlog het beleid bepalen tot begin jaren 80.
Neoliberalisme
Maar er is ook een andere oplossing denkbaar. Zo menen Hayek (1944) en Lippmann (1937) dat de overheid er beter aan doet de bestaansvoorwaarden voor vrije concurrentie te scheppen. Want monopolies en te machtige overheden staan de vrijheid in de weg en maken de mens tot slaaf van bedrijf en overheid. In de jaren 80 van de vorige eeuw wordt deze neo-liberale opvatting in praktijk gebracht door premier Thatcher (Engeland) en president Reagen (USA). Zij stimuleren privatisering, globalisering, deregulering, flexibilisering, marktwerking. Dus wel een actieve rol van de overheid, maar heel anders gericht dan bij Keynes die de negatieve effecten van de vrijhandel wilde beperken.
Onder het Neoliberalisme wijzigt de verhouding burger – overheid. Burgers moeten niet langer alles van de overheid verwachten, maar veel meer zichzelf zien te redden. Op dit gebied dus minder overheid, oftewel afbraak van de verzorgingsstaat. In Nederland ging de overheid onder premier Lubbers deze weg op. De paarse kabinetten worden ook wel als neoliberaal aangemerkt.
Sociaal - Cultureel
Het uitgangspunt is, dat ieder mens vrij is en grondrechten heeft: de grondwet vermeldt er 23, waaronder vrijheid van meningsuiting, van godsdienst, recht op onderwijs, werk, onderdak enz.
De overheid moet zich niet teveel met haar burgers bemoeien, maar aan een mens overlaten wat hij zelf kan realiseren. Een mens is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk, voor wat hij van zijn leven maakt. De overheid moet hooguit de grondrechten garanderen, bv door subsidies om onderwijs of huisvesting betaalbaar te maken.
Om die reden zijn liberalen tot nu toe terughoudend met het reguleren van social media en kunstmatige intelligentie ondanks alle gevaren die er aan kleven en die steeds duidelijker worden.
Moreel
Het Liberalisme schrijft geen ethiek voor. Ieder mag zelf beslissen over hoe hij zijn leven invult (bv wel of niet vegetariër), vrije tijd (bv wel / niet vliegvakantie), relatievormen en geslacht (LHBTI), levenseinde (wel / niet euthanasie) enz. Want ieder mens is vrij en zelf verantwoordelijk voor zijn doen en laten, zijn succes en falen.
De overheid moet volgens het Liberalisme mensen niet pamperen, maar activeren. Alleen in bijzondere gevallen zijn overheidscampagnes op z’n plaats en komen er spotjes op tv (SIRE) bv over gesprek / discussie over asielzoekers. Of met subsidies om burgers en bedrijven te stimuleren om te verduurzamen (bv isolatie, warmtepomp).
Religieus
Het grondrecht ‘vrijheid van godsdienst’ is een echt liberaal uitgangspunt. De overheid hoort geen geloof of levensbeschouwing voor te schrijven en evenmin atheïsme. Kerk en staat horen gescheiden te zijn. Elke religie is dus toegestaan, al zijn er beperkingen: ritueel slachten, homogenezing, jihadisme, eerwraak, meisjesbesnijdenis. De vrijheid houdt op waar het zelfbeschikkingsrecht van de ander in het gedrang komt.
Het Liberalisme verwacht van burgers dat ze tolerant zijn voor mensen die er andere opvattingen op na houden.
Evaluatie
Het Liberalisme meent dat het beste voor mensen is, wanneer ze vrij zijn en zelf over de invulling van hun leven kunnen beslissen. Dat klinkt goed als iedereen bij het begin er hetzelfde voor zou staan. Maar de start is ongelijk: niet iedereen (30%) is zelfredzaam, gezond, sterk en voorzien van een goed brein. Een foutje is gauw gemaakt bij de aanvraag voor een subsidie (toeslagenaffaire). Niet iedereen groeit op in een warm, veilig en welvarend gezin. In de praktijk is de kansenongelijkheid en de kloof tussen arm en rijk niet opgelost.
Omdat waarden en normen volgens het Liberalisme een persoonlijke aangelegenheid zijn, hoor je daar weinig over in de politiek. Dat is te betreuren, want zonder publiek debat lukt het niet om de bevolking als geheel enthousiast te maken over wat echt goed en gewenst is. Als klimaatbeleid een zaak van persoonlijke keuzes blijft, zal er weinig veranderen.
Het Neoliberalisme leidde tot de kredietcrisis van 2008, waarbij de grote banken alleen maar met steun van de overheid (!) konden blijven bestaan.
De privatisering van woningbouwverenigingen, nutsbedrijven (gas, water licht), PTT (post, telegraaf, telefonie), gezondheidszorg, onderwijs, omroepen, openbaar vervoer enz maakte deze bedrijven zakelijker, efficiënter, maar ook minder toegankelijk en duurder1
Conclusie
Het Liberalisme is geen geloofwaardig verhaal meer. Het ontbreekt aan een visie op de ideale samenleving en dus ook op de weg daarnaartoe en op de vraag hoe mensen daartoe te bewegen zijn. Het heeft onvoldoende oog voor de kansenongelijkheid van mensen. Voor een echte aanpak van woningnood, klimaat- en millieuproblemen, te dure gezondheidszorg en de riskante ontwikkeling van kunstmatige intelligentie (AI) zal de overheid veel nadrukkelijker moeten optreden.
-----
1 De salarissen en de arbeidsvoorwaarden moesten immers marktconform zijn. Bij Vestia en Rochdale (woningbouwverenigingen) gaat het helemaal mis door fraude en riskante beleggingen (derivaten).
Afkortingen
van de Bijbelboeken > Register (kolom 1) adhv = aan de hand van Afb = Afbeelding aw = aangehaald werk BGT = Bijbel in Gewone Taal BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT) bv = bij voorbeeld CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken cq = casu quo (dan wel) brood of anders ham) DL = Dordtse Leerregels dwz = dat wil zeggen eva = en vele anderen FB = FaceBook GNB - Groot Nieuws Bijbel GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland) Gr = Grieks HCat = Heidelbergse Catechismus Hebr = Hebreeuws HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek) HSV = Herziene Staten Vertaling HTB = Het Boek ID = Intelligent Design itt = in tegenstelling tot Lat = Latijn LuV = Lutherse Vertaling LV14 = Leidse Vertaling 1914 LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC) M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1) NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT) NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004) NBG = Nederlands Bijbel Genootschap NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951) NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021) nC = na Christus NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis NT = Nieuwe of tweede Testament ntisch = nieuw testamentisch(e) OT = Oude of eerste Testament otisch = oud testamentisch(e) P = Paulus of zijn brieven P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84 p = pagina of pagina's PKN = Protestantse Kerk Nederland PM = Post Modernisme Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus resp = respectievelijk RKK = Rooms Katholieke Kerk SV = Staten Vertaling SQE = Synopsis Quator Evangeliorum SVBS = Synopsis Vlaamse Bijbelstichting TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2) vC = voor Christus vd = van de vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3) WV = Willibrord Vertaling tekens: > = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2) // = synoniem parallellisme <> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme X = Chiasme (kruisstelling) ( -- ) bevat verduidelijking { -- } bevat woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar afgeleid uit wat er wel staat. |