Het geloof volgens Hebr
Hebr 11: 1
Wat is geloof eigenlijk? Op die vraag geeft de schrijver van Hebr een bijzonder antwoord. In Hebr 11: 1 lezen we:
geloof is
(a) van de dingen die wij hopen de zekerheid1
(b) van de dingen die wij niet zien het bewijs2 .
(a) en (b) vormen een parallellisme: de beide helften bedoelen hetzelfde.
Of toch niet? Want
(a) hopen doe je op dingen die er nog niet zijn, maar zullen komen of gaan gebeuren, later in de toekomst.
(b) Maar dingen die je niet ziet? Dat kunnen toekomstige dingen zijn, maar ook dingen die er nu al wel zijn, maar onzichtbaar (waarheid,. schoonheid, het goede) verborgen (God, Geest)
Hier betrek ik (a) en (b) op wat er nu nog niet is, maar later komt. Dat past het beste bij wat we in dit lange hoofdstuk 11 aantreffen.
Geloof heeft betrekking op dingen die niet voor handen zijn, die wij niet zien. Het gaat om dingen die wij hopen. Om wat de gelovige voor de toekomst verwacht. De schrijver noemt een beter vaderland (Hebr 11: 13), een hemels vaderland (Hebr 11: 16) de stad (Hebr 11: 16); de stad met fundamenten (Hebr 11: 10), een betere opstanding (Hebr 11: 35). De volmaaktheid, iets beters, de dingen die God belooft heeft (Hebr 11: 39v). Elders in zijn brief heet het ook wel de eeuwige sabbatsrust (Hebr 4: 8 - 11)
Van die verhoopte, onzichtbare dingen is het geloof zekerheid, de onderbouwing. Die niet-aanwezige dingen zijn volgens de schrijver zeker, hun bestaan is bewezen.
Dat betekent iets subjectiefs, iets objectiefs en iets praktisch.
- het betreft de persoonlijke overtuiging die de gelovige in zichzelf voelt.(fides qua).
- het betreft het objectieve geloof, het evangelie, de bijbelse boodschap waarin (fides quae) de gelovige gelooft, dwz aanneemt als de beslissende waarheid voor zijn leven3.
- het betreft de uitwerking: de gelovige is iemand die er met hart en ziel (subjectief) en verstand (objectief) volledig van overtuigd is en er voor gaat. Hij maakt er werk van in praktische zin (kracht).
Hij twijfelt niet (> Hebr 11 over geloof) en bij tegenslagen houdt hij vol. (> Hebr 12 over volharden).
Dit zijn de drie kanten van het ene ding, het geloof.4
Waar vinden we dit geloof? Anders gezegd: wie zijn de mensen voor wie het overtuigend bewezen is dat de onzichtbare dingen reëler zijn dan dat wat voor ogen is? Wie zijn het die zoveel zekerheid voelden over wat zij hopen, dat ze er met inzet van heel hun hart en ziel, verstand en kracht voor gingen?
Hebr 11: 2
De schrijver geeft vanaf vers 4 een opsomming van de geloofshelden uit Israëls geschiedenis. Hij noemt oa Abel, Abraham, Sara, Mozes enz, uitlopend op martelaren uit het recente verleden. Maar eerst vat hij die allemaal samen en noemt ze ‘de ouden’ ...door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven. En hij besluit de rij voorbeeldfiguren door te zeggen dat dit de mensen zijn aan wie door het geloof een getuigenis gegeven is (Hebr 11: 39). Het Griekse woord voor getuigenis – getuigen is martureo5. Hier heeft het de betekenis van bekend maken: God geeft Abel een goed getuigenis door zijn offer aan te nemen (Hebr 11: 4). De Bijbelse verhalen doen hetzelfde: ze geven een positief getuigenis over de ouden af. Die hebben een voorbeeldfunctie. In Hebr 12: 1 vormen al die geloofshelden een ‘wolk van getuigen’
Hebr 11: 3
Dan wijst de schrijver nog op het spreken van God. De wereld van de tastbare dingen (Gr fenomenen) is niet uit het zichtbare voortgekomen; het Woord van God heeft de wereld (Gr aeonen) tot stand gebracht (uit het niets). Zo maakt Hebr het grote belang van het spreken van God duidelijk. Zonder Zijn beloften zou er niets te geloven zijn en evenmin zouden er gelovigen zijn. Maar Hij heeft beloftes gegeven en er zijn gelovigen op weg gegaan.
Kenmerkend voor geloof, uit Hebr 11: 4 - 40
Wat valt er nog meer van het geloof van de ouden te zeggen?
- Wat hun beloofd was, hebben ze niet verkregen (Hebr 11: 13 en 11: 39). Dat is een overeenkomst met het geloof van de nieuw-testamentische gemeente. Eén die gemakkelijk vergeten wordt, maar ook christenen staan met lege handen. Ze hopen op Gods nieuwe wereld en verlangen naar de komst ervan. Het is niet zien maar geloven. Christenen kunnen net zo aangevochten zijn en moeten net zo volharden als de geloofsgetuigen van het Oude Testament.
- Er is één verschil: Jezus Christus, de Zoon van God, die nu (Hebr 12: 2) de Leidsman en Voleinder van het geloof heet. Hij heeft gelovend, volhardend het beloofde als eerste en enige bereikt.
- Wie dat gelooft weet dat het geen vergissing is te geloven. Het is iets om te weten met je hoofd, en om je op te verheugen in je hart en ziel, en om met inzet van al je kracht er naar te handelen. Ook al zul je het in deze wereld niet vinden, het is er (onzichtbaar / verborgen), het zal komen. God heeft het beloofd.
- Datzelfde geluk en heil is wat de geloofshelden van Hebr 11 hebben gezocht. Sommigen zagen er soms vanuit de verte iets van. Anderen zelfs dat niet.
- Door Jezus is het én voor de ouden én voor christenen bereikbaar geworden. Zo heeft God het gewild en voorzien: Israël zal niet zonder ons (christelijke gemeente) de volmaaktheid, de eeuwige redding (Hebr 11: 40) bereiken.
-----
1 Gr hypostasis: fundament, onderbouwing
2 Gr elegchos, bewijs (van een werkwoord dat 'overtuigend aantonen' betekent)
3 De schrijver doet dat op een unieke wijze, die erg verschilt met hoe Paulus of Johannes het evangelie leren. Hebr gebruikt vooral cultische termen. Hij heeft het over een tempel, offers, bloed, hogepriester enz. In de context van toen zal dat enorm indruk gemaakt hebben. Iedereen was met deze dingen opgegroeid, wist wat er mee bedoeld was en voelde daar iets bij. In Hebr 1 – 10 zet de schrijver met die termen uiteen wat de christelijke inhoud van het geloof is: Jezus de eeuwige Zoon van God, is hogepriester naar de orde van Melchisedek, door wie een nieuw verbond tussen God en mensen is tot stand gekomen.
4 Zo is geloof ook de vervulling van het grote gebod – hart, ziel, verstand en kracht
5 Daar komt ons woord martelaar vandaan, iemand die zijn overtuiging met zijn leven moest bekopen, een bloedgetuige
Afkortingen
van de Bijbelboeken > Register (kolom 1) adhv = aan de hand van Afb = Afbeelding aw = aangehaald werk BGT = Bijbel in Gewone Taal BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT) bv = bij voorbeeld CGK = Christelijk Gereformeerde Kerk cq = casu quo (bv ik doe kaas cq ham op mijn brood = ik doe kaas op mijn brood of anders ham) DL = Dordtse Leerregels dwz = dat wil zeggen eva = en vele anderen FB = FaceBook GNB - Groot Nieuws Bijbel GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland) Gr = Grieks HCat = Heidelbergse Catechismus Hebr = Hebreeuws HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek) HSV = Herziene Staten Vertaling HTB = Het Boek ID = Intelligent Design itt = in tegenstelling tot Lat = Latijn LuV = Lutherse Vertaling LV14 = Leidse Vertaling 1914 LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC) M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1) NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT) NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004) NBG = Nederlands Bijbel Genootschap NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951) NBV = Nieuwe Bijbel Vertaling (2004) NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021) nC = na Christus NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis NT = Nieuwe of tweede Testament OT = Oude of eerste Testament P = Paulus of de brieven van Paulus p = pagina of pagina's PKN = Protestantse Kerk Nederland PM = Post Modernisme P = Preek (bv Ps 84P = Preek over Psalm 84) Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus resp = respectievelijk (bv A en B reden in resp een Golf en een Astra = A reed in een Golf, B in een Astra) RKK = Rooms Katholieke Kerk SV = Staten Vertaling SQE = Synopsis Quator Evangeliorum (bv SQE 37 = parallelle passages Mat 8: 14v // Mc 1: 29vv // Luc 4: 38v) TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2) SVBS = Synopsis Vlaamse Bijbelstichting (bv SVBS 57 = parallelle passages Mat 8: 14v // Mc 1: 29vv // Luc 4: 38v) vC = voor Christus vd = van de vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3) WV = Willibrord Vertaling X = Chiasme (kruisstelling) > = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2) // = synoniem parallellisme <> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme |