Fideïsme
Herkomst1
Fideïsme, van het Latijnse Fides (= geloof) is de naam voor een aantal opvattingen over de verhouding geloof en rede. Vanuit het verleden is er niet een heldere definitie van te geven. Dat komt oa omdat de naam meestal geen zelfaanduiding is, maar een enigszins denigrerend etiket dat bepaalde denkers en stromingen in de kerkgeschiedenis opgeplakt kregen door hun tegenstanders. Waarbij het niet altijd duidelijk was, waartegen hun bezwaar zich richtte.
We vinden de term Fideïsme2 voor het eerst in de tweede helft van de 19-eeuw als vervanger van de al langer bestaande term Traditionalisme (sinds de 18-de eeuw). Katholieke theologen die het gedachtegoed van Thomas van Aquino (synthese van geloof en rede) willen actualiseren, noemen hun tegenstanders (die de rede afwezen ten gunste van geloof en openbaring) zo.
In de RKK is het kerkelijk leergezag kritisch gebleven tav Fideïsme. Vaticanum I (1869-70) benadrukt dat er geen principieel conflict kan bestaan tussen geloof en rede. Paus Johannes Paulus II waarschuwt3 voor ...een heropleving van het fideïsme, dat het belang van rationele kennis en filosofisch discours voor het begrijpen van het geloof niet erkent...en Paus Benedictus XVI4: Waarheid bevrijdt de naastenliefde van de beperkingen van een emotionalisme dat haar relationele en sociale inhoud ontneemt, en van een fideïsme dat haar de menselijke en universele ademruimte ontneemt.
Merkwaardig is dat eind 19-e eeuw op protestants erf ook sprake is van fideïsme. Eugène Ménégoz (1838–1921) en Auguste Sabatier (1839–1901) gebruiken de term voor het eerst als zelfaanduiding. Zij benadrukken dat geloven wat anders is dan instemmen met leerstukken, nl een sterk gevoel van afhankelijkheid. Symbolen zijn dan belangrijker dan logische formuleringen. Daarom heeft deze visie ook wel symbolisch-fideïsme genoemd.
Dit kleine overzichtje laat al zien, dat de term Fideïsme niet eenvoudig valt te definiëren. Het heeft met de verhouding geloof en filosofisch redeneren/wetenschappelijk onderzoek te maken. Maar ook met de vraag of geloof vooral gevoel is of het voor waar houden van dogma's en geloofsproposities. Het Fideïsme vindt in deze vragen het geloof het belangrijkste. De rede is niet nodig om de waarheid van het geloof vast te stellen. En extremer: de rede is zelfs niet geschikt daarvoor.
Dit zijn vragen die in de theologiegeschiedenis steeds weer terug komen. De zaak waarom het gaat is veel ouder dan de term Fideïsme en Traditionalisme. Men zou de apostel Paulus tot de Fideïsten kunnen rekenen vanwege zijn visie op wijsheid en dwaasheid in 1 Kor 1: 18 - 25 En ook de evangelist Johannes vanwege zijn visie dat je voor de waarheid van het geloof een kind van God en niet van de duivel moet zijn (Joh 8: 42 - 47).
Het is gebruikelijk om Pascal, Kierkegaard, James, Wittgenstein tot het Fideïsme te rekenen. Maar zoals gezegd, de voorrang van geloof boven rede vinden we alle eeuwen door en bij vele kerkvaders (Tertullianus5, Augustinus), filosofen (Kant6) en theologen (Barth) terug. In hoeverre zij Fideïsten zijn, valt nog te bezien. Het hangt uiteraard af van hoe je Fideïsme definieert.
Omschrijving
Fideïsme - van het Latijnse fides (geloof) zou ik willen omschrijven als de opvatting dat geloofskennis niet primair tot stand komt door het gebruik van de rede. Fideïsme wijst natuurlijke theologie en algemene openbaring af. Geloof begint volgens het Fideïsme met gegrepen zijn door iets wat je in alle redelijkheid niet zelf kunt bedenken. Het menselijk verstand is daar uit zichzelf niet toe niet in staat, gericht als het is op zichzelf. Door de evolutie is het menselijk verstand zeer bedreven geworden om te overleven (zelfhandhaving). Dat werkt zelfs door in het geloof: de mens vindt van nature dat hij zichzelf moet kunnen rechtvaardigen. De rede is gedreven door angst voor dood, schuld en schaamte, zinloosheid. Daarom bedenkt het verstand van alles waarmee het zichzelf gerust wil stellen. Het zegt wat het zelf graag horen wil.
Het christelijk geloof vindt dat leugenachtig, zelfbedrog. Dat heeft het geleerd uit de Passio van Jezus. De menselijke rede leidde tot het ergste geweld tegen de beste van alle: het verraad, de arrestatie, een schijnproces, marteling en spot, een gruwelijke dood van Jezus. Daarmee is de menselijke rede ontmaskerd als een instrument van het kwaad. Op deze basis kan het geloofsgebouw niet opgetrokken worden.
Geloofskennis begint met deze schokkende ontdekking gevolgd door de verrassing dat dit niet het failliet betekent van mens en redelijkheid, maar dat uitgerekend hier een nieuw begin mogelijk is! De Passio van Jezus werkt als een sleutelverhaal: het sluit het oude bestaan en denken af, en opent een nieuwe manier van leven en denken.
Uiteraard kent het Fideïsme wel een rol toe aan het denkende verstand. Hoe zou het ook maar iets kunnen beweren en beredeneren zonder gebruik te maken van de rede? Voor beweringen is taal, woorden, grammatica nodig, voor redeneringen is logica onontbeerlijk. Wie onbegrijpelijke woorden en zinnen gebruikt en tegenstrijdige redeneringen ophangt, kraamt alleen maar onzin uit. Fideïsme gebruikt dus gewone woorden en taal, en redeneert volgens de regels van de logica. Alleen de inzet is anders: het begint niet abstract over God te denken, maar met het het concrete verhaal van Jezus' lijden, sterven en opstanding ten derde dage. En voor de communicatie van het geloof verwacht het veel van verhalen (> Narratieve Theologie) en minder van redeneren en argumenteren.
Definitie
Fideïsme is de opvatting dat in de verhouding geloof en rede het geloof voorop gaat, omdat het denkende verstand niet geschikt is om de waarheid van het geloof te kennen, onderzoeken, beschrijven.
Fideïsme avant la lettre
In de Middeleeuwen werd het gedachtegoed van de Griekse filosoof Aristoteles bekend. Daardoor uitgedaagd probeerden theologen geloof en denken te combineren. Invloedrijk is de synthese van theologie en filosofie in het werk van Thomas van Aquino. Anderen probeerden die twee juist uit elkaar te houden: geloof en rede hadden allebei recht van bestaan. Het geloof had de ondersteuning van de rede niet nodig, want beroept zich op geopenbaarde waarheden; Godsbewijzen zijn niet nodig. Dit heet wel sceptisch fideïsme. (Delany, 1972)
De Reformatie blijft net als Tertullianus en Augustinus de rede niet geschikt vinden om tot kennis van het geloof te komen. Luther en Calvijn wijzen op geloof als uitganspunt en de Bijbel als bron van geloofskennis, zij het dat ze voor de rede wel zijdelings een rol zien weggelegd. Wie eenmaal gelooft kan door de rede (natuurlijke theologie) nog meer van de waarheid overtuigd worden. Zo vinden we dat ook in de belijdenisgeschriften van de protestantse kerken terug (NGB, HCat).
Contrareformatie: de RKK blijft de redelijkheid van het geloof benadrukken. Men wilde verstand en geloof niet tegen elkaar uitspelen, maar op elkaar betrekken.
Als na de Middeleeuwen het Scepticisme aan invloed wint, is er een reactie die je met een beetje gezocht fideïstisch zou kunnen noemen. Erasmus, Montaigne en anderen beweren dat je van niets zeker kunt zijn en dus geen enkele goede reden hebt om met de RKK traditie te breken en protestant te worden. Dit is wel conformistisch fideïsme genoemd (Penelhum, 1983)
Aan protestantse zijde ontstaat er een evangelisch fideïsme (Penelhum, 1983): de rede met zijn scepsis en twijfel doen er niet meer toe als de gelovige vol vuur en enthousiasme is.
Geloven had van oudsher de betekenis vertrouwen: iemand die gelooft, vertrouwt. Maar tijdens de Verlichting (18-de eeuw) verschuift de betekenis van geloven naar vasthouden aan overtuigingen zonder die afdoende te kunnen bewijzen. Het gaat steeds meer om opvattingen over God, de natuur (schepping of evolutie), de loop der gebeurtenissen (wonderen of niet). Geloven met je verstand verdringt steeds vaker geloven als gevoel van vertrouwen. Theologen doen hun best de redelijkheid van het geloof aan te tonen, theologie en wetenschap met elkaar te verbinden. Zo krijgt de natuurlijke theologie een steeds grotere rol in het geloof. Dit lijkt me de beslissende context waarbinnen traditionalisme en fideïsme zijn opgekomen.
Zie ook de noten 3, 5 en 6 bij blog over natuurlijke theologie en noot 5 bij blof over kenmerken narratieve theologie.
-----
1 Veel info hieronder is ontleend aan artikel Fideïsme van Richard Amesbury (2026) op Stanfords Encyclopedia for Philosophy
2 Thomas D. Carroll heeft verwijzingen naar Fideïsme aangetroffen die teruggaan tot 1854 (zie Fideïsme par 2.1)
3 Encycliek Fides et Ratio (1998)
4 Encycliek Caritas in Veritate (2009)
5 Met zijn uitspraak 'ik geloof omdat het absurd is' en zijn vraag 'wat heeft Athene met Jeruzalem te maken?' geeft hij daar aanleiding toe. Bovendien staat hij net als de latere Augustinus op het standpunt dat de menselijke rede bedorven is.
6 Volgens Kant (1724 - 1804) zijn God en geloof niet toegankelijk voor het denkende verstand. Hij wijst dan ook de traditionele Godsbewijzen van de natuurlijke theologie af. Maar daarmee is niet aangetoond dat God niet bestaat. Kant ziet wel een rol voor God - niet op het terrein van filosofie en wetenschap - maar wel voor ethiek en moraal. Want moreel handelen, veronderstelt dat we vrij en onsterfelijk zijn, en dat er een God bestaat die ons gedrag beloont of bestraft. Zonder God is er geen noodzaak om moreel te handelen. Om deze dingen is zou je Kant tot het Fideïsme kunnen rekenen.
Afkortingen
van de Bijbelboeken > Register (kolom 1) adhv = aan de hand van Afb = Afbeelding art - artikel (van de NGB) aw = aangehaald werk BGT = Bijbel in Gewone Taal BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT) bv = bij voorbeeld CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken cq = casu quo (dan wel / of anders) DL = Dordtse Leerregels dwz = dat wil zeggen eva = en vele anderen FB = FaceBook GNB - Groot Nieuws Bijbel GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland) Gr = Grieks HCat = Heidelbergse Catechismus Hebr = Hebreeuws HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek) HSV = Herziene Staten Vertaling HTB = Het Boek ID = Intelligent Design itt = in tegenstelling tot Lat = Latijn LuV = Lutherse Vertaling LV14 = Leidse Vertaling 1914 LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC) M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1) McM = The MacMillan Bible Atlas, London 19804 MvG = Meer van Galilea = Meer van Tiberias = Meer van Genesaret NA = Nestle-Aland, 28-ste druk (Grieks NT) NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004) NBG = Nederlands Bijbel Genootschap NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951) NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021) nC = na Christus NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis NT = Nieuwe of tweede Testament ntisch = nieuw testamentisch(e) OT = Oude of eerste Testament otisch = oud testamentisch(e) P = Paulus of zijn brieven P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84 p = pagina of pagina's PKN = Protestantse Kerk Nederland PM = Post Modernisme Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus resp = respectievelijk (achtereenvolgens) RKK = Rooms Katholieke Kerk SV = Staten Vertaling SQE = Synopsis Quator Evangeliorum SVBS = Synopsis Vlaamse Bijbelstichting TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2) v/a = vraag en antwoord vC = voor Christus vd = van de vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3) WV12 = Willibrord Vertaling 2012 Z = zondag (vd HCat) zgn = zogenaamd tekens: > = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2) // = synoniem parallellisme <> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme X = Chiasme (kruisstelling) ( ) bevatten verduidelijking { } bevatten woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar afgeleid uit wat er wel staat. |