Socialisme en Communisme
Inleiding
Een van de idealen van de Verlichting was ‘gelijkheid’. Ipv enkelen rijk en machtig (bourgeoisie) en velen arm en machteloos (proletariaat) zouden alle mensen het even goed moeten hebben. Maar tijdens de industriële revolutie (Engeland vanaf 1760, elders vanaf 1850) komen armen in mijnen en fabrieken te werken, zijn de arbeidsomstandigheden ongezond, de lonen minimaal, de woningen slecht.
In 1867 publiceert Karl Marx ‘Das Kapital’ waarin hij deze situatie analyseert: het ligt aan het kapitalisme / liberalisme dat ondernemers de vrije hand geeft. Zij hebben de produktiemiddelen (fabrieken, grond, machines) en willen daar zo veel mogelijk winst mee maken om hun investeringen terug te verdienen. Dus vinden zij het nodig de arbeiders zo weinig mogelijk betalen. Van de winst geven ze zichzelf een flink deel en/of doen nieuwe investeringen in hun fabrieken. En ook daarmee worden ze rijker. De arbeidersklasse raakt verder achterop: de ongelijkheid neemt toe.
Karl Marx verwacht dat de spanningen zo hoog zullen oplopen, dat het wel tot een klassenstrijd moet komen. Na een socialistische tussenfase zou dan de dictatuur van het proletariaat aanbreken. Dan is alles van iedereen en de gedroomde gelijkheid gerealiseerd. In heel Europa laten mensen zich door hem inspireren.
Revolutie of niet?
De werkelijkheid bleek zich niet aan de theorie te houden. Voordat de spanningen zo hoog waren opgelopen dat het tot revolutie kwam, werden er in Engeland en andere landen allerlei verbeteringen doorgevoerd. Dat leidde er toe dat het marxisme op twee richtingen uitliep
- een gematigde, die geen revolutie wilde, maar verbeteringen via de weg van de geleidelijkheid probeert te bereiken. Dus door overleg, politieke invloed, vakbonden, stakingen: het socialisme.
- een radicale, die revolutie noodzakelijk vindt om het gewenste doel te bereiken: het communisme.
Nederland is niet een land van revoluties. Als Troelstra 1918 een poging doet, loopt die op niets uit. De communistische richting was ooit met 10 zetels in het parlement vertegenwoordigd, maar de huidige communistische partijen hebben er geen1.
Het socialisme is in Nederland vooral vertegenwoordigd door de PvdA2, de SP en een aantal kleinere partijen die 1989 tot GroenLinks3 fuseerden. PvdA en Groenlinks gingen samen 2026 op in Progressief Nederland.
Socialisme (sociaal-democratie)
Het socialisme heeft, in samenwerking met andere partijen, veel goeds voor ons land gebracht en de verschillen tussen rijk en arm, werknemer of werkgever minder groot gemaakt. Uit de beginjaren:
- kinderarbeid werd verboden (1874, van Houten)
- er kwamen wetten mbt arbeidsomstandigheden (1889), arbeidstijden (1819), arbeidsvoorwaarden incl beloning (1907), de CAO (1927, 1937),
- er werden vakbonden en coöoperaties opgericht (1872)
- er kwam betere huisvesting (1901, woningwet)
- er kwam algemeen stemrecht (1917 mannen, 1919 ook vrouwen)
Er is nog veel meer meer te noemen zoals het minimumloon (1967). Recent (2022) zijn de verbeterde verlofregelingen voor ouders (zowel moeders als vaders). Er blijft ook nog veel te wensen over, bv een belasting over extreme inkomsten en vermogens, gelijkheid voor LHBTI-ers.
Evaluatie - positief:
- Het uitgangspunt dat alles van iedereeen is: lucht, water, grond, bodemschatten behoren de gemeenschap toe. Een individu kan die dingen niet claimen om er zelf beter van te worden. Het behoort toe aan de gemeenschap.
- Dat niemand tekort hoort te komen: iedereen heeft recht op voedsel, kleding, onderdak. Op dit vlak zijn zoals vermeld veel resultaten geboekt.
(vgl het oercommunisme in de jonge kerk, Hnd 2 – 5) . - Inzicht dat de mens niet zozeer een individu is, maar een sociaal wezen. Hij kan niet op zichzelf bestaan, maar moet leven met en voor anderen. Werken is een belangrijke factor om het leven zin te geven.
- Is democratisch,
- Wijst geweld af,
- Is bereid tot compromissen.
- Gelijkheid, maar niet ten koste van vrijheid en broederschap
- Is redelijk, niet star dogmatisch alsof bv alle werkgevers evenzeer op winst belust zijn. Of dat alles wat uit Amerika komt, fout is.
Evaluatie - negatief:
- Het eerste uitgangspunt is meer theorie dan werkelijkheid. Onder de Paarse kabinetten werkte de PvdA zelfs mee aan de privatisering van nuts-voorzieningen
- Het tempo van de vooruitgang ligt laag, meer gelijkheid is een zaak van lange adem.
- De overheid wordt teveel verzorgingsstaat. Dat maakt burgers gemakzuchtig en lui. Dat gaat ten koste van eigen verantwoordelijkheid en initiatief. Al blijft het waar dat niet iedereen even zelfredzaam is.
- Kon niet verhinderen dat overheid soms vijandig staat tegenover mensen die hulp nodig hebben (toeslagen affaire)
- Het ideaal van gelijkheid is nog niet bereikt
Communisme
Het communisme vond elders in de wereld meer weerklank. Vooral in Rusland waar de meerderheid (in het Russisch: bolsjewieken) van de marxisten de revolutionaire opvatting aanhing. Zij streven olv Lenin naar een complete verandering van maatschappij, cultuur, economie. Hij wint de burgeroorlog (1917 - 1922)4 met de mensjewieken (Russisch voor minderheid) die meer zagen in de weg van de geleidelijkheid). In 1922 roept Lenin de Sovjet Unie uit, de eerste communistische staat ter wereld. De communisten vinden dat over de hele wereld kapitaal, klassenverschillen, privaatbezit afgeschaft moeten worden. In hun ogen is een wereldrevolutie nodig,
Het communisme staat bijgevolg zeer vijandig staat tegenover fascisme en nazisme. Een strijd die in de tweede Wereldoorlog in alle hevigheid is uitgevochten.
- het communisme wil dat de maatschappij geen klassen meer heeft, ieder moet gelijk zijn (arbeider), zelfs over de hele wereld: internationalisme <> het fascisme en nazisme leren (ultra)nationalisme, de superioriteit van eigen volk en ras, hiërarchie en overheersende rol van de staat
- het communisme staat voor de klassenstrijd van arbeiders tegen elite, dus een grote rol voor de vakbonden <> het fascisme en nazisme willen wil dat arbeiders en elite samen een volksgemeenschap vormen om samen te werken en te strijden; dus zijn vakbonden verboden.
- het communisme wil een einde aan kapitalisme en privebezit <> het fascisme en nazisme nemen het voor deze dingen op (al brengen het die onder controle van de staat)
- Beide vissen in dezelfde vijver: zowel fascisme/nazisme als communisme willen een grote aanhang onder de omvangrijke, lagere klassen verwerven. Allebei schuwen ze manipulatie en geweld niet.
Een wereldrevolutie was ook nodig omdat een communistisch land niet kan bestaan als het omringd is door landen die er heel andere (kapitalistische, liberale) spelregels op na houden. Middels de Communitische Internationale (Comintern) probeerden de Russische communisten hun invloed en macht in Rusland en op buitenlandse communistiche partijen te vergroten. Vele landen in Oost Europa hoorden van 1945 – 1989/1991 bij de USSR, het Communistische Oostblok. Als het ijzeren gordijn valt, sluiten de meeste van die landen zich aan bij het vrije, democratische en welvarende Westen en maken deel uit van EU en NAVO. Op dit moment gelden Cuba, China, Vietnam, Laos en Noord Korea als communistische eenpartij staten. Het huidige Rusland niet meer: het heeft een kapitalistische markt (vrijhandel), prive-eigendom en grote economische bedrijven, geleid door oligarchen domineren de economie.
Evaluatie - positief
De eerste drie punten die we ook bij het Socialisme vermelden:
- Dat alles van iedereeen is: lucht, water, grond, bodemschatten behoren de gemeenschap toe. Een individu kan die dingen niet claimen om er zelf beter van te worden. Het behoort toe aan de gemeenschap.
- Dat niemand tekort hoort te komen: iedereen heeft recht op voedsel, kleding, onderdak. Als mensen te kort komen, is het vaak omdat sommigen zichzelf toe eigenen en weigeren te delen.
- Dat de mens niet zozeer een individu is maar een sociaal wezen. Hij kan niet op zichzelf bestaan, maar moet leven met en voor anderen. Werken is een belangrijke factor om het leven zin te geven.
Evaluatie - negatief
- De gedroomde gelijkheid is met geweld nagestreefd: miljoenen andersdenkenden en minderheden kwamen om in de strafkampen. Tegenstanders mogen uit de weg geruimd worden, ze houden de onvermijdelijke vooruitgang maar tegen. Ze horen ‘op de mestvaalt van de geschiedenis’. Een mensenleven is niet in tel.
- Niet democratisch: een kleine minderheid weet wat er moet gebeuren en heeft de macht om hun plannen door te zetten. De landen van het reëel bestaande communisme zijn in feite dictaturen, éénpartijstaten. Oppositie is verboden. Geen onafhankelijke rechtspraak.
- De machthebbers blijken in de praktijk zichzelf met geld, weelde en voorrechten te verrijken. Ze vormen een nieuwe elite. Ze zijn meer gelijk dan anderen...(G. Orwell, Animal Farm – 1945)
- De door Stalin opgelegde collectivisatie van de landbouw (kolchozen) leidde tot veel kleinere oogsten (hongersnood en de dood van 5 miljoen mensen) omdat de boeren (koelakken) met tegenzin meewerkten. Inefficiënte economie.
- Als de staat alles meent te moeten voorschrijven, krijg je onderdanen die zelf geen initiatief meer nemen.
- Gelijkheid ging ten koste van vrijheid en broederschap
- Vooringenomen: mensen die Westerse invloed hadden ondergaan werden naar de werkkampen gestuurd.
Genetica en natuurlijke selectie werden op ideologische gronden afgewezen ten gunste van het Lamarckisme, dat beter pastte bij de marxistische leer (>Lysenko affaire) - In principe geen ruimte voor religie, geloof, kerk, niet de vrijheid om je geweten te volgen, geen ruimte voor persoonlijke levensstijl.
- Vergaande controle van de overheid op burgers in de toenmalige DDR (vgl de film Das Leben der Anderen) en nu nog in China en Noord Korea, de media staan onder censuur.
Conclusie
Op papier lijken de meeste ideologieën wel prima, maar in de praktijk valt het tegen. Dat is ook zo met het Communisme. Uit de landen van het reëel bestaande Communisme kwamen en komen zoveel gruwelijke berichten dat het Communisme niet meer geloofwaardig is5. Als groot verhaal heeft het afgedaan. Het Socialisme kan nog wel als groot verhaal fungeren omdat het zoveel zachter, redelijker is en de verbinding met de andere verlichtingsidealen (vrijheid, broederschap) niet opgeeft. Christenen zien er veel Bijbelse elementen in terug, vooral het verlangen naar een betere wereld. Niet overspannen en te hoog gegrepen als zouden we de hemel op aarde moeten realiseren, maar wel de aarde een beetje minder hel laten zijn voor wie arm en machteloos is.
-----
1 uit SDAP : SDP (1909) > CPN > opgegaan in GroenLinks)
2 SDB (1881, Domela Nieuwenhuis) > SDP (1909) > SDAP (1894) > PvdA (1946).
3 PSP + PPR + CPN + EVP = GroenLinks
4 In die jaren kwamen ongeveer 10 miljoen mensen om door geweld, terreur, hongersnoden en ziektes.
5 Rusland - voor de tijd van het ijzeren gordijn, zie het boek De Goelag Archipel van Solzjenitsyn (1973). Recent (2024) de dood van Navalny. Critici van Poetin en de oorlog met Oekraïne verdwijnen achter slot en grendel
China - de werkkampen voor Oeigoeren, de bezetting van Tibet
Noord Korea - al jaren het land erger dan alle andere christenen vervolgt.
Vietnam - verdrukking minderheden en dissidenten, zeer grote verschillen rijk - arm.
Afkortingen
van de Bijbelboeken > Register (kolom 1) adhv = aan de hand van Afb = Afbeelding aw = aangehaald werk BGT = Bijbel in Gewone Taal BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT) bv = bij voorbeeld CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken cq = casu quo (dan wel) brood of anders ham) DL = Dordtse Leerregels dwz = dat wil zeggen eva = en vele anderen FB = FaceBook GNB - Groot Nieuws Bijbel GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland) Gr = Grieks HCat = Heidelbergse Catechismus Hebr = Hebreeuws HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek) HSV = Herziene Staten Vertaling HTB = Het Boek ID = Intelligent Design itt = in tegenstelling tot Lat = Latijn LuV = Lutherse Vertaling LV14 = Leidse Vertaling 1914 LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC) M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1) NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT) NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004) NBG = Nederlands Bijbel Genootschap NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951) NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021) nC = na Christus NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis NT = Nieuwe of tweede Testament ntisch = nieuw testamentisch(e) OT = Oude of eerste Testament otisch = oud testamentisch(e) P = Paulus of zijn brieven P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84 p = pagina of pagina's PKN = Protestantse Kerk Nederland PM = Post Modernisme Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus resp = respectievelijk RKK = Rooms Katholieke Kerk SV = Staten Vertaling SQE = Synopsis Quator Evangeliorum SVBS = Synopsis Vlaamse Bijbelstichting TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2) vC = voor Christus vd = van de vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3) WV = Willibrord Vertaling tekens: > = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2) // = synoniem parallellisme <> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme X = Chiasme (kruisstelling) ( -- ) bevat verduidelijking { -- } bevat woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar afgeleid uit wat er wel staat. |