Nationalisme
Een stukje geschiedenis
Het ene volk voelt zich vaak beter dan het andere. In de Oudheid noemen de Grieken zichzelf Hellenen en de andere volken barbaren, dwz onverstaanbare brabbelaars die de Griekse taal niet machtig waren. In de geschriften van de Bijbel zien de Joden zichzelf als een uitverkoren, heilig volk. De andere volken noemen ze gojiem, dat we het beste met volkeren vertalen. Dus niet met heidenen, want daarin klinkt een negatief waardeoordeel mee dat in gojim niet zit. Wij bespreken hier het nationalisme in West Europa van de 19-de en 20-ste eeuw.
Op het eind van de 18-de eeuw zijn de burgers in Frankrijk klaar met het koningshuis; ze beginnen zich een volk te voelen. Het idee van een natiestaat wint aan populariteit. Het leidt tot de Amerikaanse Onafhankelijkheidverklaring (1776), de Franse revolutie (1789) met de verklaring van de rechten van de mens en de burger en de opkomst van het nationalisme in Europa: de idee dat niet de koning, maar het volk (natio = volksstam) de basis vormt voor een land (volkssoevereiniteit) en dat de wetten uitdrukking horen te zijn van de algemene wil van het volk.1
Uiteraard waren de tegenkrachten (bourgeousie, adel) groot. In 1815 werden veel hervormingen teruggedraaid. Maar de geest was uit de fles. In 1830 wordt België onafhankelijk van Nederland. In 1848 komt het in vele Europese landen tot opstanden. Opnieuws zijn die geen onverdeeld sucees maar burgers bleven geboeid door het nationalisme. Dan zet het nationalisme door. Het enorme Habsburgse Rijk valt 1867 uiteen in een dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. 1870 komt met de inname van de kerkelijke staat Rome de natiestaat Italië tot stand. Een jaar later vormt Bismarck uit uit de vele Duitse koninkrijken ‘het Duitse Rijk’.
Na de eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) ontstaan er nog meer natiestaten omdat dan Duitsland, Rusland, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk uiteen vallen. In deze chaotische periode ontstaan extremere vormen van nationalisme: het fascisme en nazisme. Een andere reactie op de chaos van die tijd is het communisme, dat zeer vijandig staat tegenover fascisme en nazisme (en omgekeerd).
Kern
Niet de koning (onder God), maar het volk vormt de basis voor een land. Volk is wat anders dan de mensen, de burgerij of de meerderheid etc. Volk heeft hier de betekenis van volksstam (Lat natio) = een grote groep (stam) mensen die zichzelf als een geheel zien want
- ze wonen samen in een eigen gebied wonen: een staat met een eigen bestuur, rechtspraak, leger.
- ze geloven dat ze samen een gemeenschappelijke cultuur delen: taal, waarden en normen, gewoontes, religie, gedeelde geschiedenis.
Kenmerken
De voornaamste kenmerken van het nationalisme zijn:
- Zelfbeschikking: Het idee dat elk volk het recht heeft op een eigen staat met zelfbestuur, vrij van externe inmenging.
- Identiteit: Alle bewoners worden geacht met elkaar verbonden te zijn op bais van een gedeeld verleden en de gemeenschappelijke taal, gewoontes en tradities. Soms is die eenheid er als vanzelf vanwege de gedeelde cultuur (etnisch nationalisme). Wanneer de eenheid er niet is, kan de staat proberen de eenheid te realiseren door de andere volken te assimileren. Dit zgn staatsnationalisme is een belangrijke hindernis op weg naar Europese eenwording.
- Verbondenheid: de burgers voelen een diepe verbondenheid met elkaar, hebben een grote waardering voor hun land en vinden dat ze daar veel over moeten hebben, bv dienstplicht.
- een milde vorm is het patriottisme: bv de Oranjegekte bij sportwedstrijden
- een overdreven vorm is het chauvinisme: het eigen volk superieur vinden.
- Romantisering: de verbondenheid wordt gevoed door een sterke idealisering van het verleden: de 80 jarige oorlog als een hoogtepunt van 'de vaderlandsche geschiedenis'. Premier Balkenende vond de VOC-mentaliteit aanbevelenswaardig.
Het nationalisme sluit aan bij de natuurlijke beleving van ieder mens: dat hij deel uit maakt van een gezin, familie, vriendenkring, van dorp of stad, van een land. Deze natuurlijke verbondenheid is een groot goed en verre te verkiezen boven een samenleving van individuën die van los zand aan elkaar hangt: ieder gespitst op zijn eigen belangen, voordelen en geluk. Het nationalisme zoekt deze verbondenheid niet meer in een mens (koning, keizer, paus) die zijn hoge positie aan God de Allerhoogste en Almachtige te danken zou hebben, maar in de gezamenlijkheid: het samen toebehoren van een volk dat geschiedenis en cultuur deelt. Dat is zeer te waarderen: machthebbers moeten zich niet voor God verantwoorden, want dat doen ze toch niet, maar voor de mensen over wie zij regeren. Nationalisme kan niet zonder democratie: scheiding van de machten, algemeen kiesrecht.
Aan het nationalisme zitten ook enkele zwaktes. Zo is in de praktijk nationalisme niet altijd democratisch.
-----
1 Dit is de verklaring voor het ontstaan van het nationalisme volgens de zgn moderniseringstheorie.
De nadruk op het eigene in de vier punten hierboven heeft uitsluiting als keerzijde: degenen die niet tot het volk behoren worden als niet-welkom, ongewenst beschouwd.
en vragen tenslotte of deze ideologie de hoge verwachtingen weet waar te maken. Maw of ze een geloofwaardig, groot verhaal is.
-----
Afkortingen
van de Bijbelboeken > Register (kolom 1) adhv = aan de hand van Afb = Afbeelding aw = aangehaald werk BGT = Bijbel in Gewone Taal BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT) bv = bij voorbeeld CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken cq = casu quo (dan wel) brood of anders ham) DL = Dordtse Leerregels dwz = dat wil zeggen eva = en vele anderen FB = FaceBook GNB - Groot Nieuws Bijbel GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland) Gr = Grieks HCat = Heidelbergse Catechismus Hebr = Hebreeuws HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek) HSV = Herziene Staten Vertaling HTB = Het Boek ID = Intelligent Design itt = in tegenstelling tot Lat = Latijn LuV = Lutherse Vertaling LV14 = Leidse Vertaling 1914 LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC) M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1) NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT) NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004) NBG = Nederlands Bijbel Genootschap NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951) NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021) nC = na Christus NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis NT = Nieuwe of tweede Testament ntisch = nieuw testamentisch(e) OT = Oude of eerste Testament otisch = oud testamentisch(e) P = Paulus of zijn brieven P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84 p = pagina of pagina's PKN = Protestantse Kerk Nederland PM = Post Modernisme Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus resp = respectievelijk RKK = Rooms Katholieke Kerk SV = Staten Vertaling SQE = Synopsis Quator Evangeliorum SVBS = Synopsis Vlaamse Bijbelstichting TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2) vC = voor Christus vd = van de vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3) WV = Willibrord Vertaling tekens: > = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2) // = synoniem parallellisme <> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme X = Chiasme (kruisstelling) ( -- ) bevat verduidelijking { -- } bevat woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar afgeleid uit wat er wel staat. |