Mc 7: 1 - 23


Vooraf
Al een paar keer heeft Mc verteld van het verschil in opvattingen tussen Jezus enerzijds en de Farizeeën - Schriftgeleerden anderzijds (Mc 2: 18 - 22, Mc 2: 23 - 28, Mc 3: 1 - 6, Mc 3: 20 - 30. Nu volgt een nieuw thema: wat is rein en onrein? (Mc 7: 1 - 13). Met de Farizeeën verdiept zich dit onderwerp tot het principiële punt: wat weegt zwaarder: de geboden van God, of menselijke overleveringen? De bespreking over het oorspronkelijke vraagstuk van de (on)reinheid wordt voortgezet met de menigte (Mc 7: 14v). Jezus geeft een principieel antwoord (niets van wat van buiten naar binnen gaat; alles wat van binnen naar buiten gaat). Deze algemene regel legt Jezus vervolgens aan zijn discipelen uit. (Mc 7: 17 - 25)
Het verband met het voorgaande en volgende is losjes. Waar en wanneer dit voorval plaats vindt, vertelt Mc niet.

Opvallend zijn enkele opmerkingen van Mc waarin hij enkele zaken uitlegt waarvan hij kennelijk veronderstelt dat z'n lezers er niet mee bekend zijn. (lezerstekst)

  • In Mc 7: 2b - 4 legt hij uit dat onrein = ongewassen.
  • In Mc 7: 11c legt hij uit dat korban = offergave

In 7: 19b richt Mc zich opnieuw tot zijn lezers met de conclusie die hij trekt na de uitspraak van Jezus in het voorafgaande. Lezerstekst zou ook vers 22v kunnen zijn .

Vers 16 (indien iemand oren heeft om te horen, die hore) staat niet in de NBV21. De tekst ontbreekt in de belangrijkste oudste handschriften. Jongere manuscripten hebben deze woorden wel. Het is waarschijnlijk een latere toevoeging: de coipiïst dacht dat dit een geschikte uitbreiding zou zijn, passend na Mc 7: 14. Dezelfde woorden staan ook in Mc 4: 9 en 4: 23. Daar is deze uitspraak niet tekstkritisch omstreden.


Mc 7: 1- 13 (met de Farizeeën en Schriftgeleerden)

Mc 7: 1
Ook de farizeeën en enkele van de Schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op. (NBV21)

Bij Mc vervullen de Farizeeën meestal de rol van tegenstander die met Jezus over de toepassing van de wet (Torah) discussiëren. De Schriftgeleerden staan meestal wat vijandiger tegenover Jezus. Als er zoals hier bij staat dat ze uit Jeruzalem komen, is de lezer gewaarschuwd. Nu moet Jezus goed op zijn woorden passen. Want Jeruzalem is het religieuze centrum van het Joodse volk. Daar zetelt de elite, met name de Hogepriester en de overpriesters. Die vormen het echte gevaar, zij zullen straks Jezus uit de weg ruimen. (> Spelers in Mc)
Waarom de Farizeeën en Schriftgeleerden gekomen zijn, laat Mc open. Het is mogelijk dat ze nav berichten over Jezus nieuwsgierig of argwanend zijn geworden en poolshoogte willen nemen. 

Mc 7: 2 - 5
En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen,

dat wil zeggen, met ongewassen handen
de farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen  
gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden,4
 
en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben,
en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonmaken van bekers, kruiken, ketels en bedden,

toen vroegen de Farizeeën en de Schriftgeleerden Hem: ‘
Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’ (NBV21)


De discussie ontbrandt als sommigen van de discipelen zomaar hun brood eten, met onreine (Gr koinos = gewone, algemene, niet gewijde) handen.
Mc legt uit wat dat betekent: zonder de handen grondig (Gr pugmè) te wassen (Gr niptoo). Hij legt zijn lezers ook uit waar die reinheidsregel vandaan komt: het is traditie / overlevering van de voorouders (Gr paradosin toon presbuteroon). En Mc voegt nog twee voorbeelden toe: een complete onderdompeling (Gr baptizoo) na terugkeer van de markt. En ook allerlei huishoudelijke spullen moeten schoongemaakt worden: ondergedompeld in water (opnieuw baptizoo). Met 'bedden' zijn waarschijnlijk de bankjes, kussens etc bedoeld waarop de mensen bij een maaltijd aanlagen aan de (lage tafel).

Nadrukkelijk staat er twee keer dat dit 'traditie van de voorouders' is (vers 3 en 5). Volgens de Rabbijnen kwamen er op de Sinaï twee stromen van wetgeving: de schriftelijke die via Mozes in de Torah is opgenomen. En een mondelinge die van generatie op generatie door de voorvaderen werd overgeleverd: de traditie der vaderen (Hebr Abot) waar Mc 7 van spreekt. Die regels (halacha) en verhalen (haggada) zouden later in Misjna en Talmoed opgenomen worden. 

Mc 7: 6 - 9
Maar Hij antwoordde:
‘Hoe treffend is de profetie die Jesaja heeft uitgesproken over huichelaars als u!
Er staat immers geschreven:
“Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij;
tevergeefs vereren ze Mij, want wat ze onderwijzen zijn voorschriften van mensen.”
De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’ 

En Hij vervolgde:
‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities te kunnen onderhouden! 
(NBV21)

In zijn antwoord haalt Jezus een tekst uit Jes aan (Jes 29: 13). De profeet stelt dat godsdienst niet meer is dan mooie woorden spreken (lippendienst) wanneer gelovigen voorschriften van mensen onderwijzen. Zulke godsdienst is niet oprecht (het hart is er niet bij, ver af van God) en tevergeefs (Gr matèn = nutteloos, bereikt niets).
Jezus verscherpt de oude beschuldiging van Jes door er expliciet aan toe te voegen dat Farizeeën en Schriftgeleerden Gods geboden buiten spel zetten. Daarom noemt hij hen huichelaars (Gr hupokritai) die wel vroom klinkende woorden spreken en vroom lijkende gedragingen vertonen, maar ondertussen gaat het om menselijke gewoontes en niet om iets dat God geboden heeft.
De toon is behalve scherp ook sarcastisch vanwege het treffend in vers 6 en het mooi in vers 9, beide keren in het Grieks kaloos = goed, correct (vgl Mc 7: 37; 12: 28 en 12: 32)

Letterlijk staat er vers 8 'Het gebod van God' geeft u op. Dus enkelvoud. Want voor Jezus komen al Gods geboden en verboden samen in het ene grote gebod van de liefde. Wie daar niet aan wil komt in een verwarrende veelheid van voorschriften en menselijke tradities terecht.

Mc 7: 10 - 13
Heeft Mozes niet gezegd:
“Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, en ook:
“Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”?
11 Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen:
Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban,”’

wat ‘offergave’ betekent

12 ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen,
13 en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft;
en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’
(NBV21)

Dat de Farizeeën en Schriftgeleerden niet alleen nieuwe regels bedenken (de traditie der vaderen) maar ook Gods geboden buiten spel zetten,  maakt Jezus duidelijk  aan twee uitspraken van Mozes / de HERE uit de Torah. De eerste - het vijfde van de tien geboden (Ex 20: 12 // Dtn 5: 16) - gaat over eer bewijzen aan je ouders, de tweede - is uit Ex 21: 17 of Lev 20: 9. - over het tegenovergestelde: je ouders vervloeken. Vooral het eerste was belangrijk. In een tijd zonder AOW waren ouders op hun kinderen aangewezen. Die moesten voor hun ouders zorgen als ze dat zelf niet meer konden. Dat was een vorm van je ouders eren. Het gebod is voor geen misverstand vatbaar. Toch hebben de Farizeeën en Schriftgeleerden een manier bedacht om er onder uit te komen. Als ze hun geld en andere bezittingen (kleding, huis) niet aan hun ouders wilden besteden, dan konden ze die (alles) eenvoudig 'korban' (Hebr voor offergave, dankoffer) verklaren. Daarmee was het een offergave geworden: iets dat voor God bestemd is (ooit nog eens). Zo hoefden ze niets meer aan hun vader of moeder te geven. Met deze en andere tradities ontkrachten ze het woord van God.
 

Mc 7: 14v (met de menigte)

Nadat Hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei Hij:
‘Luister allemaal naar Mij en kom tot inzicht.
15 Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken,
het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’
(NBV21)

Na dit voorval roept hij de schare weer bij zich. Jezus verlaat nu het punt traditie <> woord van God en keert terug tot het vraagstuk van rein en onrein. Jezus is daar heel duidelijk in. In twee parallel verlopende zinnen zegt hij eerst dat een mens niet onrein wordt van de dingen die van buitenaf komen, bv vuil aan je handen > vers 2.
en dan dat een mens onrein wordt van wat uit hem naar buiten komt. Wat dat is? Dat legt Jezus in de volgende verzen uit.
 

Mc 7: 17 - 23 (met de leerlingen)

Toen Hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen Hem om uitleg over deze uitspraak.
18 Hij zei tegen hen:
Begrijpen ook jullie het dan nog niet?
Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken
19 omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’

Zo verklaarde Hij alle spijzen rein.

20 Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein.
21 Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, 22overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid;
23al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’ 
(NBV21)

Mc grijpt de kans aan om een van zijn motieven naar voren te brengen: het onbegrip van de discipelen. Zelfs bij een betrekkelijk eenvoudige uitspraak van Jezus komen ze er niet uit. Jezus geeft uitleg. 
Dingen die van buitenaf in de mens komen, maken hem niet onrein, want komen niet in zijn hart, maar via maag en darmstelsel in de put. De conclusie die Mc trekt: alle spijzen zijn rein. Je mag alles eten en drinken. 
Wat een mens onrein maakt, is dat wat uit de mens komt, van binnenuit, uit zijn hart: van slechte gedachten tot en met dwaasheid (13 dingen). Dit heet met een Duits woord een Lasterkatalog = opsomming van zonden, andere voorbeelden:  Gal 5: 19 - 21 en Rom 1: 29 - 32.

Aanvullend valt dan ook de keerzijde te bedenken, nl dat een mens rein is (blijft, wordt) door een zuiver hart, waaruit geen slechte gedachten en gevoelens etc naar boven komen, maar enkel goede.

-----
Mat 15: 1 - 20, Mc 7: 1 - 23; Luc --- (Joh ---)
SQE 150 VBS 154v;   McM 
Luc heeft dit gedeelte niet overgenomen uit Mc; slechts een enkel vers herinnert eraan: Luc 11: 37 - 41 en  Luc 6: 39

Gespreksvragen
* Waarom waren en zijn voor het Joodse volk de reinheidsvoorschriften zo belangrijk?
* Onder de andere volken (heidenen) gelden die reinheidsvoorschriften niet. De Joden in de diaspora gingen er ook soepeler mee om. Maar uit alle drie groepen worden mensen gelovig. Er komen christelijke Joden, christelijke heidenen en christelijke diaspora Joden. Zij moesten het samen zien eens te worden over de status van de oudtestamentische reinheidsvoorschriften. Waar vind je in het NT daarvan de weerslag?

Voor Jezus telt niet de rituele reinheid, maar de zuiverheid van het hart.
* Leg uit dat rituele reinheid kan leiden tot wetticisme. En ook tot schijnheiligheid.
* Wat hoort bij een zuiver hart? Denk aan gevoelens, gedachten, woorden, daden, gedrag.
 

terug
×