Mc 6: 35 - 44
Context
Jezus was met zijn leerlingen naar een onbewoonde, eenzame (Gr erèmos vers 35) plek gegaan, maar de mensen waren hem gevolgd. Nu is de dag bijna om.
Mc 6: 35 - 44
De leerlingen maken zich zorgen om de vele mannen (5.000 lezen we in vers 44). Die zijn nog steeds geboeid door Jezus met zijn boodschap over Gods nieuwe wereld en met de wonderen die daar het teken van zijn. Maar ze moeten toch een keer wat eten en drinken? En ze kunnen toch niet de hele nacht hier, in de open lucht blijven? Daarom stellen de discipelen Jezus voor, dat hij de menigte wegstuurt. Dan kunnen ze in de omgeving iets te eten kopen. Maar als Jezus dat zou doen, wat komt er dan terecht van deze mensen, die als schapen zonder herder zijn? (Mc 6: 34) En Jezus wilde toch de goede herder zijn die namens God naar hen omziet? (Ps 23)
Jezus neemt hun verzoek serieus: de broodvraag is belangrijk. Het evangelie is niet alleen geestelijk voedsel, maar betreft ook materiële zaken, zeker zo iets belangrijks als brood. Toch zal het antwoord van Jezus hen verbaasd hebben: jullie moeten hun te eten geven.
De discipelen op hun beurt, nemen het antwoord van Jezus serieus. Ze zoeken geen uitvluchten, willen best doen wat Jezus hun zegt, maar ze hebben praktische bedenkingen. Voor zoveel mensen brood kopen, dat kost wel 200 denarii = 200 zilverstukken = 200 keer een dagloon = een half jaar salaris. Zoveel hebben ze niet. Hier blijkt ook weer het onbegrip van de discipelen, een veel voorkomend motief bij Mc. In Mc 6: 52 en 8: 19 komt Jezus hier op terug.
Dan zegt Jezus hun te kijken naar wat ze wel aan brood hebben. Jezus, die altijd van alles op de hoogte is, vraagt dit niet voor zichzelf, maar voor zijn leerlingen. Zij moeten leren dat wat zij hebben, al is het nog zo weinig, veel is, als ze het in Jezus' handen leggen.
Vijf broden, antwoorden de discipelen. En ook nog twee vissen. Maar dat is dan ook echt alles wat ze hebben. Krap aan genoeg voor Jezus en de twaalven: nog geen half brood en een stukje vis per persoon. Maar volstrekt onvoldoende (in hun en onze ogen) voor die duizenden mannen. Toch stuurt Jezus die menigte niet weg; die moet te eten krijgen. En als de discipelen daar niet toe in staat zijn, zal hij zelf daar voor zorgen.
De leerlingen krijgen een nieuwe opdracht: ze moeten de aanwezigen - die tot dan toe staande naar Jezus hebben gehoord (vroeger zat de spreker, en stonden de luisteraars) - zeggen te gaan aanliggen (vroeger zat men niet op stoelen aan tafel). Hier in het veld geen lage banken of zachte kleden en kussens zoals bij een maaltijd thuis, maar enig comfort was er wel: van het groene gras / vegetatie (Gr en chlooroi chortoi). Mc merkt dat vast op, omdat het herinnert aan de grazige weiden van Ps 23, de psalm die NB zingt van 'de HERE is mijn herder.'.
Het aanliggen moet gebeuren in groepen (Gr sumposia sumposia: ordelijk in tafelgemeenschappen). Dat herinnert aan het volk Israël in de woestijn: de twaalf stammen hebben allemaal een eigen plek rond de tabernakel (Num 2), zodat De HERE in het midden van zijn volk is (Ex 25: 8, 29: 45)1. Zo zijn de 5.000 nu rond Jezus.
Wat de mensen daarvan gedacht hebben, vertelt Mc niet, enkel dat ze doen wat hun wordt gezegd. Ze vormen groepen (Gr prasiai prasiai) ordelijk in groepen van 100 en 50 man. Deze ordelijkheid moet voorkomen dat er
- iemand wordt overgeslagen bij het uitdelen van het brood en tekort komt
- dat anderen meer dan eens brood wordt aangeboden en teveel krijgen
De ordelijke groepsindeling maakt het ook mogelijk het aantal mannen te tellen: 5.000.
Een sum + posion (Gr samen + drinken) was in het klassieke Griekenland een samenzijn van vrije (niet slaven) mannen (vrouwen niet welkom) waarbij wijn (aangelengd met water) gedronken werd. Het waren sociaal - godsdienstige bijeenkomsten gewijd aan Apollo en de andere goden. Er werden liederen gezongen, raadsels opgegeven en discussies gevoerd. Maar de evangelist
- wil niet het beeld van zo'n vriendschappelijk drinkgelag oproepen. Er is geen sprake van wijn, zingen, discussies
- Er is ook weinig dat aan het avondmaal doet denken, integendeel Jezus richt de blik omhoog, naar de hemel in de verwachting zo kracht te krijgen om het wonder te kunnen doen (thaumaturgie). Dat gebeurt niet bij het avondmaal. Nog een verschil: bij het avondmaal is brood en wijn, hier: brood en vis.
Een overeenkomst met het avondmaal: voor het uitspreken van de zegen gebruikt Mc het Griekse eulogèsen net als bij het avondmaal(Mc 14: 22). - Alles wijst op een feestmaal waarbij de gasten aanliggen.
- Welke woorden zal Jezus gesproken hebben? De gebruikelijke Joodse zegen luidt: 'Geprezen zijt Gij, HERE onze God, Koning der wereld, die het brood uit de aarde voortbrengt'
De leerlingen moeten de brokken brood en vis uitdelen aan de vele aanwezigen. Het blijkt genoeg te zijn voor de 5.000. Allen eten en raken verzadigd! Er is zelfs veel teveel: wat overblijft wordt verzameld en vult twaalf manden (Gr kofinos). Het is niet duidelijk waar die manden opeens vandaan komen. Wil Mc herinneren aan het verhaal van het manna in de woestijn (Ex 16: 1 - 16)? Er is niets dat aan die geschiedenis linkt. Mc zal vooral gedacht hebben aan de profeet Elisa die een arme weduwe helpt (kruikje olie raakt niet leeg - 2 Kon 4: 1 - 7) en 20 profeten voedt met 100 broden (2 Kon 4: 42 - 44) en overhoudt. Jezus overtreft Elisa royaal. Hij is de beloofde, eschatologische profeet (Deut 18: 15 + 18), de herder van Israël.
Opnieuw kunnen we ook denken aan Ps 23: Jezus doet wat de herder van deze psalm doet: U nodigt mij aan tafel (vers 5)
Hoe te begrijpen?
Over deze dingen lopen de meningen uiteen.
- Er zijn er die zeggen: dit gaat tegen alle natuurwetten in, dit is onmogelijk, dit is niet echt gebeurd. Het zal gaan om een legendarisch verhaal dat bij meer volken voorkomt en ook in het OT (Elisa, 2 Kon 4). Dat zou dan op Jezus zijn overgedragen. De bedoeling: christenen moeten niet te klein denken over de macht van hun Heer Jezus.
- Anderen menen: dit is een wonder oftewel een teken dat laat zien dat brood (of eerste levensbehoefte iha) belangrijk is het Koninkrijk van God. De discipelen cq de kerk moet daarin voorzien. En dat kan ze ook wanneer christenen hun bezit niet als eigendom beschouwen, maar het in handen van Jezus leggen. Hij maakt er meer van, tot over houdens toe. Delen is vermenigvuldigen.
- Weer anderen rationaliseren: toen de eersten hun brood en vis in handen van Jezus legden, werkte dat zo aanstekelijk dat ook anderen hun eten te voor schijn haalden om te delen met wie weinig of niets hadden. Maar dat is precies wat Mc niet vertelt. Hem gaat het om het onmogelijke, grootse wonder. Het begon met vijf broden en twee vissen, het eindigt met twaalf manden vol brood nadat 5.000 man daarvan gegeten hebben.
Symboliek
Brood staat voor de eerste levensbehoeften van een mens: dus ook drinken, kleding, onderdak enz doen er toe.
Vis: De letters van het Griekse woord voor vis (Ichthus) staan voor Ièsous Christos Theou Uios Sotèr = Jezus Christus, van God de Zoon, Redder
Vijf en twee is samen zeven, het getal van volheid, totaliteit
Vijfduizend (mannen) is soms de omvang van een leger (Joz 8: 12; Ri 20: 45) maar ook wel eens het getal van iets dat bestemd is voor de tempel (1 Kron 29: 7 + 35: 9)
De twaalf manden suggereren:
- de overvloed die er bij God is, en waarvan Hij royaal wil delen
- dat de boodschap die Jezus brengt, gedeeld moet worden met de twaalf stammen van Israël.
- dat niets van Gods goede gaven verloren mag gaan
Vervolg
De vertelling van een wonder loopt vaak uit op de indruk die het wonder maakt op de aanwezigen: schrik, verbazing, bewondering, geloof, dankzegging enz. Maar geen van de evangelisten vindt het nodig bij dit wonder iets van dien aard te vermelden. Komt hier opnieuw iets naar voren van de blindheid bij mensen voor Gods liefdevolle vergeving en ontferming in Jezus? Of hadden de mensen niet in de gaten dat ze op wonderlijke wijze gevoed werden? Want het wonder gebeurt onopvallend: Jezus blijft maar brood breken en uitdelen.
Mc en Mat vertellen aansluitend dat Jezus de volksmenigten wegzendt, de discipelen in de boot naar de overkant stuurt (Mc 6: 45v, Mat 14: 22v) en zelf op een berg gaat bidden (dat laatste heeft ook Luc 9: 18v)
Doublet
We vinden van dit verhaal een tweede variant in Mc 8: 1 - 9 en parallel in Mat 15: 32 - 39. Dan met zeven broden en enkele visjes, 4.000 man en zeven manden over. Symbool voor de zeven volkeren die Israël als een vijandige wereld omringen (Deut 7: 1) Het lijkt erop, dat er van dit verhaal twee iets verschillende versies in omloop waren. Luc en Joh vonden het niet nodig er meer dan één te noemen.
Mat 14: 15 - 21, Mc 6: 35 - 44; Luc 9: 12 - 17 (Joh 6: 1 - 15)
SQE 146 VBS 151; McM 231
Bij Mat reageert Jezus uitvoeriger op het voorstel van de leerlingen om de mensen weg te sturen.
De bedenking van de discipelen in Mc 6: 37v laat Mat weg.
Luc laat allerlei kleinigheden bij Mc weg en stroomlijnt het verhaal. Zo noemt hij de 5.000 al in vers 14.
Mc vermeldt de (twee) vissen vier keer, Mat en Luc nemen alleen de eerste twee keer over.
Het gaat om 5.000 mannen, Mat merkt op dat er ook nog vrouwen en kinderen meegegeten hebben.
Gespreksvragen
* Wat leert dit verhaal je over Jezus?
* In het onze Vader volgen na de drie beden om de dingen van God, drie beden om dingen van mensen. Het dagelijks brood is daarvan de eerste. Wat maak je daaruit op over hoe geestelijk / stoffelijk het christelijk geloof is?
* Geeft gij hun te eten. Eten / brood staat voor 'de eerste levensbehoeften' dus ook voor drinken, kleding, onderdak enz. Kunnen christenen daarin voorzien? Moeten ze de hele wereld op de nek nemen? Of vraagt Jezus te veel?
* Iemand vatte samen: Het beetje dat je in handen hebt, lijkt in onze ogen te weinig. Maar als je het in handen van Jezus legt, is het meer dan genoeg. Is dat zo? Weet je daar voorbeelden van?
-----
1 Minder waarschijnlijk is dat Mc dit vermeldt om zijn lezers aan de militaire groepen (Ex 18: 21) te doen denken.