Fideïsme (omschrijving)


Omschrijving
Fideïsme - van het Latijnse fides (geloof) zou ik willen omschrijven als de opvatting dat geloofskennis niet primair tot stand komt door het gebruik van de rede. Fideïsme wijst natuurlijke theologie en algemene openbaring af. Geloof begint volgens het Fideïsme met gegrepen zijn door iets wat je in alle redelijkheid niet zelf kunt bedenken. Het menselijk verstand is daar uit zichzelf niet toe niet in staat, gericht als het is op zichzelf. Door de evolutie is het menselijk verstand zeer bedreven geworden om te overleven (zelfhandhaving). Dat werkt zelfs door in het geloof: de mens vindt van nature dat hij zichzelf moet kunnen rechtvaardigen. De rede is gedreven door angst voor dood, schuld en schaamte, zinloosheid. Daarom bedenkt het verstand van alles waarmee het zichzelf gerust wil stellen. Het zegt wat het zelf graag horen wil.

Het christelijk geloof vindt dat leugenachtig, zelfbedrog. Dat heeft het geleerd uit de Passio van Jezus. De menselijke rede leidde tot het ergste geweld tegen de beste van alle: het verraad, de arrestatie, een schijnproces, marteling en spot, een gruwelijke dood van Jezus. Daarmee is de menselijke rede ontmaskerd als een instrument van het kwaad. Op deze basis kan het geloofsgebouw niet opgetrokken worden.

Geloofskennis begint met deze schokkende ontdekking gevolgd door de verrassing dat dit niet het failliet betekent van mens en redelijkheid, maar dat uitgerekend hier een nieuw begin mogelijk is! De Passio van Jezus werkt als een sleutelverhaal: het sluit het oude bestaan en denken af, en opent een nieuwe manier van leven en denken.

Uiteraard kent het Fideïsme wel een rol toe aan het denkende verstand. Hoe zou het ook maar iets kunnen beweren en beredeneren zonder gebruik te maken van de rede? Voor beweringen is taal, woorden, grammatica nodig, voor redeneringen is logica onontbeerlijk. Wie onbegrijpelijke woorden en zinnen gebruikt en tegenstrijdige redeneringen ophangt, kraamt alleen maar onzin uit. Fideïsme gebruikt dus gewone woorden en taal, en redeneert volgens de regels van de logica. Alleen de inzet is anders: het begint niet abstract over God te denken, maar met het het concrete verhaal van Jezus' lijden, sterven en opstanding ten derde dage.

Fideïsme in kerk en theologie
De term Fideïsme duikt voor het eerst eind op in de tweede helft van de 19-de eeuw. Maar de zaak zelf, simpel voorgesteld als 'eerst geloven, dan denken, is de eeuwen door in het theologisch denken wel aanwezig.


In de eerste eeuwen van de Kerkgeschiedenis wijst men wel op Tertullianus. Met zijn uitspraak 'ik geloof omdat het absurd is' en zijn vraag 'wat heeft Athene met Jeruzalem te maken?' geeft hij daar aanleiding toe. Bovendien staat hij net als de latere Augustinus op het standpunt dat de menselijke rede bedorven is.




In de Middeleeuwen werd het gedachtegoed van de Griekse filosoof Aristoteles bekend. Daardoor uitgedaagd probeerden kerkelijke denkers het een met het ander te combineren. Invloedrijk is de synthese van theologie en filosofie in het werk van Thomas van Aquino. Andere theologen probeerden die twee juist uit elkaar te houden: ze hadden allebei recht van bestaan. Het geloof had de ondersteuning van de rede (bewijzen voor het bestaan van God) niet nodig. Het geloof beroept zich op geopenbaarde waarheden, bewijs is niet nodig.
Sinds Delany 1972 [1994: 13–17] heet dit wel sceptisch fideïsme.



De Reformatie blijft net als Tertullianus en Augustinus de rede niet geschikt vinden om tot kennis van het geloof te komen. Luther en Calvijn wijzen op geloof als uitganspunt en de Bijbel als bron van geloofskennis, zij het dat ze voor de rede wel zijdelings een rol zien weggelegd. Wie eenmaal gelooft kan door de rede (natuurlijke theologie) nog meer van de waarheid overtuigd worden. Zo vinden we dat ook in de belijdenisgeschriften van de protestantse kerken terug (NGB, HCat).


Geloven had van oudsher de betekenis vertrouwen: iemand die gelooft, vertrouwt. Maar tijdens de Verlichting (18-de eeuw) verschuift de betekenis van geloven naar vasthouden aan overtuigingen zonder die afdoende te kunnen bewijzen. Het gaat steeds meer om opvattingen over God, de natuur (schepping of evolutie), de loop der gebeurtenissen (wonderen of niet). Geloven met je verstand verdringt steeds vaker geloven als gevoel van vertrouwen. Theologen doen hun best de redelijkheid van het geloof aan te tonen, theologie en wetenschap met elkaar te verbinden. Zo krijgt de natuurlijke theologie een steeds grotere rol in het geloof. In de 20-ste eeuw zou Karl Barth deze knieval voor het verstand radicaal afwijzen.


Tegenover de Reformatie benadrukte de RKK de redelijkheid van het geloof. Men wilde verstand en geloof niet tegen elkaar uitspelen, maar op elkaar betrekken.
De rede afwijzen ten gunste van geloof en openbaring zag men als een eenzijdigheid, die als traditionalisme bekend kwam te staan. Later (tweede helft 19-de eeuw) zou dit (denigrerend) fideïsme genoemd worden door RK theologen die de synthese van Thomas van Aquino wilden actualiseren.


Als na de Middeleeuwen het scepticisme (Montaigne, Pyrrho van Elis) aan invloed wint, is er een reactie die je met een beetje goede wil fideïstisch zou kunnen noemen.
Erasmus, Montaigne en anderen beweren dat je van niets zeker kunt zijn en dus geen enkele goede reden hebt om met de RKK traditie te breken en protestant te worden. (Terence Penelhum noemt dit (conformistisch fideïsme)



Aan protestantse zijde ontstaat er een evangelisch fideïsme (Terende Penelhum): de rede met zijn scepsis en twijfel doen er niet meer toe als de gelovige vol vuur en enthousiasme is.
In de eeuw van de Verlichting is het werk van Kant (1724 - 1804) bepalend geweest. Volgens hem zijn God en geloof niet toegankelijk voor het denkende verstand. Hij wijst dan ook de traditionele Godsbewijzen van de natuurlijke theologie af. Maar daarmee is niet aangetoond dat God niet bestaat. Kant ziet wel een rol voor God, niet op het terrein van filosofie en wetenschap, maar wel voor ethiek en moraal. Want moreel handelen, veronderstelt dat we vrij en onsterfelijk zijn, en dat er een God bestaat die ons gedrag beloont of bestraft. Zonder God is er geen noodzaak om moreel te handelen. Om deze dingen is zou je Kant tot het Fideïsme kunnen rekenen.
Eind 19-e eeuw komt de term fideïsme in de plaats van traditionalisme. Thomas D. Carroll heeft verwijzingen naar fidéisme aangetroffen die teruggaan tot 1854 (2008: 10)
Merkwaardig is dat eind 19-e eeuw op protestants erf ook sprake is van fideïsme. Eugène Ménégoz (1838–1921) en Auguste Sabatier (1839–1901) gebruiken de term voor het eerst als zelfaanduiding. Zij benadrukken dat geloven wat anders is dan instemmen met leerstukken, nl een sterk gevoel van afhankelijkheid. Symbolen zijn dan belangrijker dan logische formuleringen. Daarom heeft deze visie ook wel “symbolisch-fideïsme” genoemd.
In de RKK blijft het kerkelijk leergezag kritisch. Paus Johannes Paulus II waarschuwt in de encycliek Fides et Ratio (1998, zie Other Internet Resources) voor
een heropleving van het fideïsme, dat het belang van rationele kennis en filosofisch discours voor het begrijpen van het geloof niet erkent
en in Caritas in Veritate (2009, zie Other Internet Resources), zijn derde encycliek, Paus Benedictus XVI:
Waarheid bevrijdt de naastenliefde van de beperkingen van een emotionalisme dat haar relationele en sociale inhoud ontneemt, en van een fideïsme dat haar de menselijke en universele ademruimte ontneemt. (§3)
Op het RK erf rekent men Pascal (17-de eeuw) men wel tot de fideïsten. Aan protestantse zijde denkt men Kierkegaard aan (19-de eeuw) en James (1842 -1910) evenals Wittgenstein (20-ste eeuw). In hoeverre dat terecht is valt te lezen in andere blogs van deze rubriek.








Fideïsme in de Filosofie
 

terug

Afkortingen


van de Bijbelboeken > Register (kolom 1)

adhv = aan de hand van
Afb = Afbeelding
art - artikel (van de NGB)
aw = aangehaald werk
BGT = Bijbel in Gewone Taal
BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT)
bv = bij voorbeeld
CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken
cq = casu quo (dan wel / of anders)
DL = Dordtse Leerregels
dwz = dat wil zeggen
eva = en vele anderen
FB = FaceBook
GNB - Groot Nieuws Bijbel
GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland)
Gr = Grieks
HCat = Heidelbergse Catechismus
Hebr = Hebreeuws
HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek)
HSV = Herziene  Staten Vertaling
HTB = Het Boek
ID = Intelligent Design
itt = in tegenstelling tot
Lat = Latijn
LuV = Lutherse Vertaling
LV14 = Leidse Vertaling 1914
LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC)
M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1)
McM = The MacMillan Bible Atlas, London 19804
MvG = Meer van Galilea = Meer van Tiberias = Meer van Genesaret
NA = Nestle-Aland, 28-ste druk (Grieks NT)
NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004)
NBG = Nederlands Bijbel Genootschap
NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951)
NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021)
nC = na Christus
NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis
NT = Nieuwe of tweede Testament
ntisch = nieuw testamentisch(e)
OT = Oude of eerste Testament
otisch = oud testamentisch(e)

P = Paulus of zijn brieven
P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84
p = pagina of pagina's 

PKN = Protestantse Kerk Nederland
PM = Post Modernisme
Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus
resp = respectievelijk (achtereenvolgens)
RKK = Rooms Katholieke Kerk
SV = Staten Vertaling
SQE = Synopsis Quator Evangeliorum
SVBS = Synopsis  Vlaamse Bijbelstichting 
TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim
v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2)
v/a = vraag en antwoord
vC =  voor Christus
vd = van de
vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3)

WV12 = Willibrord Vertaling 2012
Z = zondag (vd HCat)
zgn = zogenaamd

tekens:
> = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2)
// = synoniem parallellisme
<> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme
X = Chiasme (kruisstelling)
(     ) bevatten verduidelijking

{    } bevatten woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar  afgeleid uit wat er wel staat.
 

 

×