Dialectische ontwikkeling


Inleiding
Kees van Peursen was lector en hoogleraar wijsbegeerte in Groningen (1950 - 1961) en later in Leiden (1961-1982) en Amsterdam (1963-1985) en ook aan diverse universiteiten in het buitenland.

In de kerk is hij vooral bekend als mede auteur van het rapport over het schriftgezag ‘God met ons’. (1980) Daarin bepleit hij een relationele lezing van de Bijbel.

In zijn Strategie van de Cultuur1 schetst hij hoe de menselijke geschiedenis een ontwikkeling doormaakt. Volgens van Peursen zijn er drie fasen. Elk van die drie perioden vertegenwoordigen mogelijkheden van het mens-zijn. Het zijn (a) pogingen van de mens om zich op een zinvolle, leefbare wijze te voegen in de werkelijkheid van natuurmachten en mensen (de stam). Maar dat kan ook ontaarden in (b) pogingen om zelf de macht te grijpen (p. 40) Dan is de cultuur in een crisis gekomen, die de overgang naar een volgende fase noodzakelijk maakt.
(a) en (b) verhouden zich tot elkaar als these en antithese. De tegenstelling binnen (1) wordt opgeheven in de synthese van (2), de tegenstelling binnen (2) wordt opgeheven op het volgende niveau (3).  De geschiedenis verloopt dus volgens tegenstellingen naar een hoger niveau. Vandaar de naam dialectiek. 


1) de mythische fase (dat)
(a) De mens is in deze eerste cultuurfase in beslag genomen door de machten om hem heen. Dat kunnen natuurverschijnselen zijn, maar ook de stam waartoe hij behoort. Die dingen maken een overweldigende indruk. Hij is er diep van doordrongen dat er veel is waar hij niets over te zeggen heeft (transcendentie). Middels rituelen als de dans houdt hij daar zo goed mogelijk rekening mee. De mythische mens beleeft zichzelf niet als een subject dat afstand van de hem omringende werkelijkheid kan nemen.

(b) Het mythische denken verstart als het middels magie (bv offers) probeert de natuurkrachten en medemensen te beïnvloeden om zodoende onheil af te weren. In de magie tracht de mens de machten aan zichzelf te onderwerpen. De beleving van het transcendente verdwijnt om plaats te maken voor een immanente omgang met de werkelijkheid. Het eigen bereik wordt het een en al. De werkelijkheid is demonisch geworden.
Deze verstarring wordt doorbroken in (2)


2) de ontologische fase (wat)
(a) In de ontologische cultuurfase vraagt de mens zich af wat iets is. Hij gaat op zoek naar het wezen en de oorzaken van de dingen. Hij ondergaat de werkelijkheid niet meer (als in 1) maar komt als subject tegenover de werkelijkheid te staan. Door kennis te verzamelen over de machten en krachten (definities, natuurwetten) waarmee hij te maken heeft, wil hij inzicht verwerven met als doel een juiste relatie met de natuur en samenleving

(b) Het ontologische denken loopt vast in substantialisme. Dwz het gaat de dingen op zichzelf beschouwen, los van iedere relatie. Het maakt een indeling van natuur, samenleving, van natuur en bovennatuur naar eigen perspectief. Zulke systemen zeggen meer over dit denken dan over de werkelijkheid. Dit denken maakt alles immanent. (monisme, atomisme, solipsisme). Zo meent de mens zijn bestaan veilig te stellen. Maar in feite staat hij niet meer open voor wat nieuw is en verrassen kan. Hij heeft zichzelf opgesloten in denken, wetenschap en techniek. De werkelijkheid is nietszeggend geworden. (p. 66)
Deze verstarring wordt doorbroken in (3)


3) de functionele fase (hoe)
Nietzsche en anderen concludeerden het failliet van (2b): er is niet een metafysische wereld achter de natuurlijk, concrete zichtbare wereld. Die onzichtbare transcendentie wereld bestaat alleen in het denken. In werkelijkheid is er maar een wereld: de concrete, tastbare, immanente. Dat inzicht dringt tot steeds meer mensen door en leidde tot het proces van secularisatie.

(a) De cultuur vond een nieuwe denkvorm. Na het dat (1) en wat (2) vraagt de mens naar het hoe van de dingen. Maw in wat voor verhouding staan subject en object tot elkaar. Pas wanneer iets zinvol doorleeft en doordacht kan worden, is er sprake van iets echts, iets werkelijks. (72) Bv: Over God als een Hij of Het spreken kan niet meer, maar God als een Gij aanspreken blijkt wel zinvolle werkelijkheid te kunnen zijn (92).
In deze denkvorm kunnen de woorden dus wel verwijzen, nl naar iets wat zich niet grijpen laat, maar wel zich toont, of ervaarbaar is in de alledaagse werkelijkheid. Het transcendente is een bijzonder aspect van deze wereld, van het immanente geworden.

(b) Het functionele denken kan net als (1) en (2) aangegrepen worden door de mens die ‘in control’ wil zijn. Dan ontaardt het functionalisme in operationalisme. Dan gaat het de mens enkel nog om de verschijnselen en niet meer om datgene waar de verschijnselen naar verwijzen. Bv godsdienst is dan niets anders dan projectie (alsof er geen werkelijkheid aan kan beantwoorden). Een mens is niets meer dan de rollen die hij speelt (met voorbij gaan aan wat die mens tot mens maakt). Het ongrijpbare, dat zich soms toont (het transcendente) wordt genegeerd. Er is alleen nog het immanente. Met alle gevaar van effectbejag en manipulatie. 
Techniek, Cultuur en Ethiek moeten met bewust beleid ingezet worden om deze gevaren af te wenden. Er is toekomstbeleid nodig om aan een leefbare wereld te bouwen


Kritiek
In een bespreking merkt Boerwinkel2 op dat van Peursen geen synthese (4) heeft om de tegenstelling (3a) en (3b) te boven te komen. Verder wijst hij er op, dat van Peursen bij (3) twee woordjes gebruikt: hoe en waartoe. Boerwinkel meent dat hoe niet hetzelfde is als waartoe. De vraag hoe iets werkt (omdat het in verband staat met andere dingen) is wat anders dan de (existentiële) zinvraag. Wat hem betreft had van Peursen een vierde (waartoe)fase aan zijn model moeten toevoegen. Die fase zou dan de verstarring van (3) doorbreken.




Andere denkers die de geschiedenis in drieën indeelden:
Frankrijk: filosoof Auguste Comte (1798 – 1857)
Amerika: futuroloog Alvin Toffler (1928 - 2016)
Nederland: cultuurfilosoof Tom Lemaire (1941)

-----
C.A. van Peursen, Strategie van de Cultuur.
een beeld van de veranderingen in de hedendaagse denk- en leefwereld
Amsterdam-Brussel, 1970
H.W.G. Boerwinkel, Cultuur, Psychologie en Zelfoverstijging (diss), Wageningen 1986.

 
terug

Afkortingen


van de Bijbelboeken > Register (kolom 1)

adhv = aan de hand van
Afb = Afbeelding
aw = aangehaald werk
BGT = Bijbel in Gewone Taal
BHS = Biblia Hebraica Stuttgartensie (Hebr. OT)
bv = bij voorbeeld
CGK = Christelijk Gereformeerde Kerken
cq = casu quo (dan wel / of anders)
DL = Dordtse Leerregels
dwz = dat wil zeggen
eva = en vele anderen
FB = FaceBook
GNB - Groot Nieuws Bijbel
GNT = Griekse Nieuwe Testament (Nestle-Aland)
Gr = Grieks
HCat = Heidelbergse Catechismus
Hebr = Hebreeuws
HKB = Historich Kritische Benadering (of Bijbelonderzoek)
HSV = Herziene  Staten Vertaling
HTB = Het Boek
ID = Intelligent Design
itt = in tegenstelling tot
Lat = Latijn
LuV = Lutherse Vertaling
LV14 = Leidse Vertaling 1914
LXX = Septuaginta (Grieks OT; 250 - 50 vC)
M = Meditatie (bv Mc 1:1M = Meditatie over Mc 1: 1)
McM = The MacMillan Bible Atlas, London 19804
MvG = Meer van Galilea = Meer van Tiberias = Meer van Genesaret
NA = Nestle-Aland, 27-ste druk (Grieks NT)
NB = Naardense Bijbel (P. Oussoren, 2004)
NBG = Nederlands Bijbel Genootschap
NBG51 = Bijbelvertaling van het NBG (1951)
NBV21 = Nieuwe Bijbel Vertaling van het NBG (2021)
nC = na Christus
NGB = Nederlandse GeloofsBelijdenis
NT = Nieuwe of tweede Testament
ntisch = nieuw testamentisch(e)
OT = Oude of eerste Testament
otisch = oud testamentisch(e)

P = Paulus of zijn brieven
P in bv Ps 84P = Preek over Psalm 84
p = pagina of pagina's 

PKN = Protestantse Kerk Nederland
PM = Post Modernisme
Q = Quelle, bron van uitspraken van Jezus
resp = respectievelijk (achtereenvolgens)
RKK = Rooms Katholieke Kerk
SV = Staten Vertaling
SQE = Synopsis Quator Evangeliorum
SVBS = Synopsis  Vlaamse Bijbelstichting 
TeNaCh = Torah+Nebiïm+Chetoebim
v = volgende vers (bv Ps 1: 1v = Ps 1: 1 - 2)
vC =  voor Christus
vd = van de
vv = volgende verzen (bv Ps 1: 1vv = Ps 1: 1 - 3)

WV = Willibrord Vertaling

tekens:
> = zie (bv > 2 betekent zie bij punt 2)
// = synoniem parallellisme
<> = tegenstelling, ook: antithetisch parallellisme
X = Chiasme (kruisstelling)
(     ) bevatten verduidelijking

{    } bevatten woorden niet in de bijbeltekst te vinden, maar  afgeleid uit wat er wel staat.
 

 

×